tussenin

voel je niet hoezeer ik warmte radieer
en hoe ik keer op keer je bekkenen
trotseer. je hebt mijn slaap ontvoerd, mijn
kippenvel tot soep geroerd.
je straling heeft mijn hals gesnoerd
en mijn geheim geïmmobiliseerd. mijn trucs
ben ik verleerd. je hebt mijn dorst bedwongen,
in één ogenblik verteerd.

ik heb je heel mijn tekst gezongen, mijn liefde uit
haar hoek gewrongen. je kreten
springen in mijn longen. je hijgen nog veel hoger.
waarom ik hier mezelf verlies, mijn keuzes maak naar
jouw advies, ik kan psychisch niet minderen, de
hinder van je passie, het geluk van mijn gevecht.

je houdt me telkens vaster, geen gulzigheid
maar lof, ik wil hier weg en nooit meer
ergens anders zijn, nooit meer.


onuitgesproken

ik vertoef in mijn zelfgemaakte kamer. de muren
worden grijs van schimmel en herinneringen. mijn
kruisboog staat gespannen, ook al ben ik het doden
niet van plan. ach, hoe veracht ik toch mijn
medemens, met zijn bloemen en violen en geduldige
onwetendheid. jij ligt verdoofd naast me. het
lachende wantrouwen is opgerold in je schoot,
je maakt geen plaats voor actualiteiten of
zachtmoedigheid. daarom wil ik je niet wekken. of
de keuze maken tussen Dafalgan en de pijn van
middelmatigheid. maar dan word je alsnog wakker
om mijn kamer weer wat kleiner te maken en met
je zwijgen aan mijn rechtzaak te beginnen. bij ons
wordt er geen geloof gehecht aan de algemeenheden
die we verkondigen. ik faal in mijn metrum. en
wanneer de nacht de dag opdoekt, ontmantel ik je
zinnen en tel ik de cijfers tot mijn tijdelijke einde.


Ik kom

Ik dool schetsend door je lanen, je hindert me, beveelt mijn kasseien tot gehoorzaamheid
       Ik kom
Mijn vragen richten zich naar je voortdurend geplunderde gevels
Ik verwoest
Ik verwoest
Ik vergeet je oude adres, sta te schreeuwen op je wallen, trek ten strijde met je boeren

Waarom zijn je goten leeg, sterven vogels in mijn kooi
Ik wil alleen nog maar
Ik wil alleen nog maar
alleen
nog maar mijn gezicht parkeren in je kussens, een einde vinden in je rots
Laat me je hijgend inhalen, voorbij je stoten, zodat je grijpen mij bevrijdt, je vertrek mijn aankomst is en al het ander niet bestaat
       Ik kom
       Ik sta
       en ik leg neer.

stadsgedicht nr. 13


F.

blazer, schuiver, duwer, vechter
zo verenigd in het hert
maken lucht nog levensechter
bouwen leegte tot concert

drager, zoener, speler, jager
brengen liefdes naar hun mond
handen, lippen, hoger, lager
draaien noten in het rond

vangen holtes, kennen kloven
dribbelen door klanken heen
schuiven klinkers naar hierboven
glijden ladders naar beneen

laten Schaffen vroeg ontwaken
leiden marsen aan het hoofd
zwellen adem over daken
Sint-Hubertus wordt geloofd

stadsgedicht nr. 12
(voor de dorpsmuzikanten)


Diefstal n° 5

Ik verkruimel in de wasplaats na je onverwachte einde
het oordeel in je blik, de verre kusten in je mond
je zegt, ik loop nog met je mee, ik knik
we waren knuffelwild, je schoot me telkens aan
De cadans van raken en rauw gescheur, nu moeten we
ons verleden overleven, ik krijg geen adem meer van jou
Op de televisie bewijzen prachtige figuren hoe een –
ze zijn waarschijnlijk nooit onzeker
– hoe een dag gevuld kan zijn met suiker, honing, alles zoet
Je breekt onder mijn lampen, mijn moeiteloos gestraal
en of je nog wil douchen, of boodschappen schrijven, of twijfelen of blijven
in mijn hoofd is er geen plaats voor drie van je letters
Hier zijn we dan, toon je, ik knik vanbuiten uit het hoofd
de gang, de hal, de voor altijd verwoestende voordeur
maar als je gaat, vraag ik, je draait je om
en smoort mijn omgekeerde vlucht en neemt
mijn hand, ik weet nog hoe ik denk, die krijg ik niet meer terug