Diefstal n°7

We zitten nu, jij tegenover en ik naast.
Ik roep je naam uit duizend hoofden.
Je glimlach doet de zon ontstaan. Ik ben
al weken blind. Er is geen links, ik ken geen rechts.

Je raven wachten bij mijn hart. Ze schreeuwen
vrolijk, doen mijn vlucht vertragen. Hun zwarte jas
versiert de bloemen en de slingers. Ik heb
naar deze dag verlangd. Naar stilte. Naar
hoe je wemelt. Hoe je krast. Klopt. Nog nooit
wist ik me meer bemind.


gisteren

ik wou dat je nog gisteren was, toen handen vluchtig antwoord vonden
en je zwijgend mijn kapel bezocht, ik wou dat je nog distels had
nog niet het onkruid weerde, dat dat wat woekerde en kruipen kon
niet vuur en messen vond. ik wou dat je nog wolken kleurde,
de kuisheid van je dagen in je avonden verdween, je lucht mijn adem stokte.
dat je nog smaak gaf aan mijn vezels, ik wou dat je nog morgen was
om naar je uit te kijken. dat dat wat goed en levend was geen ondergang verkoos
de uren niet voorbij
de zon niet onder
de dood gewoon
ontkend


als

ik heb je liever als de zon

– ik heb je liever als de zon wat?

wat?

– ik heb je liever als de zon opkomt? of als de zon ondergaat?

nee, altijd

– altijd is te lang

nu dan. voortdurend

– voortdurend onvoorwaardelijk liever?

dat bedoel ik. ik kan niet stoppen

– alles kan stoppen

ik niet. ik heb je liever

– dan?

ja. ik heb je liever dan alles


wees vanzelf

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
lig in aarde, wees vanzelf
bewaar je wensen bij je goud

woon in stilte, maak haar huis
kruid het zout van onze tranen
we verliezen
geen seconde, we zijn samen
vloeien leeg en vullen uit

reik naar morgen, voel de nacht
draai de wereld om je heen
kom iemand tegen in het bloeien
van je zucht, je dag, je jaar

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
vaar je licht over ons water
beloof ons hier iets weer te vinden
van wie later op ons wacht

stadsgedicht nr. 18
(bij het kunstwerk ‘The ever blossoming garden’)