cerckel

compact. je zit gevangen in het gras,
niet gekwetst na duizend draden
ik schets je spiegelende brug, je rots,
klim op je bomen. mijn keel verstopt
zich, je oren doof. er is zo veel vervallen
je neemt me rustig in je op. verdwijnt.
geen spel gespeeld en geen geheim, slechts
zwakke muren. je ligt in stoelen
wanneer of als ik je laatst zag. ten einde
raad ik je gedachten. ik laat je met lust.

stadsgedicht nr. 17


mee

omgeven door je vele namen
verdiep ik me in je gedachten
je witte blad, je kans op leven
in je kreupelhout beland ik

omwikkeld door je vele eeuwen
ontmoet ik mensen in de sporen
die ze in je wangen kerven
mijn streep trek ik er onder

omtrokken door je vele hoogtes
bereik ik je geheime deur
je draait nog verder door me heen
naar je wachten luister ik

stadsgedicht nr. 16
(bij het kunstwerk ‘Measuring Diest’)


30

geen huis bouw ik, mijn lente
graaft nagels over glas
en zoekt een stenen tafel
haar kleur verzonnen tussen splinters
maar in de strenge blik van wit papier
pauze
de mist trekt op, de lijnen blijken voorgedrukt
ik moet van niets of niemand weten
laat mij zitten op mijn hout
zonder leegte of betekenis, ik wil
de maan veranderen en dan vergeten worden
mijn plannen opgevouwen, laat ze achter op de sporen
in de geur van dijen en van golven

enkel jij beziet mijn dansen, mijn lachen
bezingt mijn klauwen, enkel jij vraagt scherven
ik leid je naar het feest van mieren en van doeken
onder de grote groene sproeiers
enkel jij bent overbodig, wat
maakt je dat aanwezig
ik ben mijn eigen grote wijzer
en besta
genoeg vandaag


de dame en de heer

de dame en de heer zij ontmoeten elkaar
op het plein nabij de holle griet
de dame is niet groot en de heer is niet beroemd
zij zagen elkaar in het echt nog nooit
de heer is blij dat de dame een dame is
de dame is vrij van verwachten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij stappen openbaar
voorbij de bibliotheek van steen en papier
de dame is nieuw in deze stad en de heer oud
zij voelen de warmte van de zon
de heer probeert te praten over werken
de dame denkt aan eten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij kijken naar
de vogels in het bekken van het moeras
de dame is verrast door de bloemen en de heer ook
zij gaan zitten op de bank
de heer vraagt of hij haar mag zoenen
de dame vraagt niks terug
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij zijn klaar
met het zoeken naar een halve maan
de dame is rustiger dan ooit en de heer nerveus
zij zullen deze dagen niet vergeten
de heer bedankt haar voor de tijd
de dame wil niet alleen sterven
want dat deed ze vroeger al te vaak

stadsgedicht nr. 15


Diefstal n°6

ik draag rond mij
’t kostuum dat mijn begeren stuurt
mijn drang gedwaal naar donker vlees,
naar ’t bruisen van mijn botten
ik kan alleen naar later leven
geblikt op paarse hemels, er
luisterend naar paddestoelen
armer van ervaring

verwijt ik dat mijn schone jas
geen deel is van mezelf? mijn
schoenen voeren niet mijn hoofd,
mijn maag bepaalt mijn stappen
laat mij mijn buit, bewusteloos
ik zink tussen de stenen
zo wazig is de hele dag, zo
verkwistend alle kleuren

maar jij bent niets zonder je stoffen
zingt zwerend mijn verlangen toe
eerst moet je zeg je voor mij
wat bloemen kopen, een glas wijn
dat is nu eenmaal hoe het gaat
mijn aandacht wordt verhandeld
ik trek mijn huiden langzaam los
en val over je haren

ik adem derdehandse lucht
zoek prenten in de koffers
van oude continenten
en wandel achter na