meer dan een mens

je kent
geen namen, geen gezichten
enkel stemmen dicht en ver
die je droegen in hun vreugde
die je droomden keer op keer

je zendt
ons goddelijk genot, beantwoordt onze vragen
verzacht elke waarom
maakt armen open, hart getroost
brengt verwachtingen tot liefde

je bent
meer dan een mens, een wens, een wonder
een nieuwe adem in de lucht
volmaakt compleet, nooit eerder hier gewoond
en toch meteen al thuis

(voor Mone – 12 oktober ’17)


Ochtend (2)

6u11. Mijn wekker en ik doen ons best elkaar te negeren, hij met lawaai, ik met stilte. Zoals meestal wint de wekker, dus ik geef een bemoedigend klopje en onze rollen wisselen. Hij wordt stilte, ik geluid. Ik laat mijn warmte achter tussen de lakens en gebruik water om de nacht van me af te polijsten. Ik ben opgestaan. Mijn huid verberg ik onder een dun laagje stof, mijn voeten sluit ik op. Trede na trede verlaagt mijn lichaam zich tot de keuken. Er is geen zon, geen licht, behalve nagemaakt in glas. De telefoon gaat, vraagt of het gaat, of het goed gaat. Natuurlijk, maar je belt zo vroeg. Ik weet niet of ik nu al kan praten. Natuurlijk niet. Morgen misschien. Of over een jaar.


cerckel

compact. je zit gevangen in het gras,
niet gekwetst na duizend draden
ik schets je spiegelende brug, je rots,
klim op je bomen. mijn keel verstopt
zich, je oren doof. er is zo veel vervallen
je neemt me rustig in je op. verdwijnt.
geen spel gespeeld en geen geheim, slechts
zwakke muren. je ligt in stoelen
wanneer of als ik je laatst zag. ten einde
raad ik je gedachten. ik laat je met lust.

stadsgedicht nr. 17


mee

omgeven door je vele namen
verdiep ik me in je gedachten
je witte blad, je kans op leven
in je kreupelhout beland ik

omwikkeld door je vele eeuwen
ontmoet ik mensen in de sporen
die ze in je wangen kerven
mijn streep trek ik er onder

omtrokken door je vele hoogtes
bereik ik je geheime deur
je draait nog verder door me heen
naar je wachten luister ik

stadsgedicht nr. 16
(bij het kunstwerk ‘Measuring Diest’)


30

geen huis bouw ik, mijn lente
graaft nagels over glas
en zoekt een stenen tafel
haar kleur verzonnen tussen splinters
maar in de strenge blik van wit papier
pauze
de mist trekt op, de lijnen blijken voorgedrukt
ik moet van niets of niemand weten
laat mij zitten op mijn hout
zonder leegte of betekenis, ik wil
de maan veranderen en dan vergeten worden
mijn plannen opgevouwen, laat ze achter op de sporen
in de geur van dijen en van golven

enkel jij beziet mijn dansen, mijn lachen
bezingt mijn klauwen, enkel jij vraagt scherven
ik leid je naar het feest van mieren en van doeken
onder de grote groene sproeiers
enkel jij bent overbodig, wat
maakt je dat aanwezig
ik ben mijn eigen grote wijzer
en besta
genoeg vandaag