Diefstal n°6

ik draag rond mij
’t kostuum dat mijn begeren stuurt
mijn drang gedwaal naar donker vlees,
naar ’t bruisen van mijn botten
ik kan alleen naar later leven
geblikt op paarse hemels, er
luisterend naar paddestoelen
armer van ervaring

verwijt ik dat mijn schone jas
geen deel is van mezelf? mijn
schoenen voeren niet mijn hoofd,
mijn maag bepaalt mijn stappen
laat mij mijn buit, bewusteloos
ik zink tussen de stenen
zo wazig is de hele dag, zo
verkwistend alle kleuren

maar jij bent niets zonder je stoffen
zingt zwerend mijn verlangen toe
eerst moet je zeg je voor mij
wat bloemen kopen, een glas wijn
dat is nu eenmaal hoe het gaat
mijn aandacht wordt verhandeld
ik trek mijn huiden langzaam los
en val over je haren

ik adem derdehandse lucht
zoek prenten in de koffers
van oude continenten
en wandel achter na


Lijstje

– ik wil
– zie hierboven
– ik wil even op een rijtje
– alles kunnen zeggen
– veel mogen doen
– dromen laten stapelen

– je dwingt me tot keuzes, zoals
– welke bruggen te verbranden
– wat ik het meest bemin
– of wie te willen zijn

– maar
– ik weet alleen
– ik weet dat sommige mensen
– thuishoren in hetzelfde gele boek
– wensen met hun handen

– verdwijnen in hallo’s


sneller

ik ken je nog als kind, je gesloten
deuren vol met levens die ik nooit ontdekken zou,
de vogels in je torens en de klokken
in je bomen. ik was
onbelangrijk in je ogen en daarom deel van jou.
je geschiedenis achter glas, je kasseien
nog ongebarsten. fietsers werden hersteld in
je cafés, hun tuigen bij de buren. ik moest door
het bos je ramen zien, je pad kruisen. je had
een kleine bioscoop, daar kwam ik je graag zien,
geanimeerd. en ook je maaltijd, en dat ik die
zou proeven, de smaken van je
streek, je talenten en specialiteiten
op je zware eiken tafels. de begijnen
van je hof knikten, hun glimlach in de steen
gebeiteld. slapen deed ik nooit in jou,
het duurde een jeugd voor ik je
’s nachts mocht kennen. je had op me
gewacht, maar was niet gespaard van
liefkozingen en geweld. je pleinen ingedeukt,
je parken aangebrand. je staat in trotse
glorie tussen wal en haag, tussen water en
kamp, tussen campus en vlakte. trek me
binnen in je poorten, duw mijn voeten op
je trap. verwacht me onder je lakens. ik ben thuis.

stadsgedicht nr. 14


tussenin

voel je niet hoezeer ik warmte radieer
en hoe ik keer op keer je bekkenen
trotseer. je hebt mijn slaap ontvoerd, mijn
kippenvel tot soep geroerd.
je straling heeft mijn hals gesnoerd
en mijn geheim geïmmobiliseerd. mijn trucs
ben ik verleerd. je hebt mijn dorst bedwongen,
in één ogenblik verteerd.

ik heb je heel mijn tekst gezongen, mijn liefde uit
haar hoek gewrongen. je kreten
springen in mijn longen. je hijgen nog veel hoger.
waarom ik hier mezelf verlies, mijn keuzes maak naar
jouw advies, ik kan psychisch niet minderen, de
hinder van je passie, het geluk van mijn gevecht.

je houdt me telkens vaster, geen gulzigheid
maar lof, ik wil hier weg en nooit meer
ergens anders zijn, nooit meer.


onuitgesproken

ik vertoef in mijn zelfgemaakte kamer. de muren
worden grijs van schimmel en herinneringen. mijn
kruisboog staat gespannen, ook al ben ik het doden
niet van plan. ach, hoe veracht ik toch mijn
medemens, met zijn bloemen en violen en geduldige
onwetendheid. jij ligt verdoofd naast me. het
lachende wantrouwen is opgerold in je schoot,
je maakt geen plaats voor actualiteiten of
zachtmoedigheid. daarom wil ik je niet wekken. of
de keuze maken tussen Dafalgan en de pijn van
middelmatigheid. maar dan word je alsnog wakker
om mijn kamer weer wat kleiner te maken en met
je zwijgen aan mijn rechtszaak te beginnen. bij ons
wordt er geen geloof gehecht aan de algemeenheden
die we verkondigen. ik faal in mijn metrum. en
wanneer de nacht de dag opdoekt, ontmantel ik je
zinnen en tel ik de cijfers tot mijn tijdelijke einde.