afscheid


wees vanzelf

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
lig in aarde, wees vanzelf
bewaar je wensen bij je goud

woon in stilte, maak haar huis
kruid het zout van onze tranen
we verliezen
geen seconde, we zijn samen
vloeien leeg en vullen uit

reik naar morgen, voel de nacht
draai de wereld om je heen
kom iemand tegen in het bloeien
van je zucht, je dag, je jaar

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
vaar je licht over ons water
beloof ons hier iets weer te vinden
van wie later op ons wacht

stadsgedicht nr. 18
(bij het kunstwerk ‘The ever blossoming garden’)


Diefstal n° 5

Ik verkruimel in de wasplaats na je onverwachte einde
het oordeel in je blik, de verre kusten in je mond
je zegt, ik loop nog met je mee, ik knik
we waren knuffelwild, je schoot me telkens aan
De cadans van raken en rauw gescheur, nu moeten we
ons verleden overleven, ik krijg geen adem meer van jou
Op de televisie bewijzen prachtige figuren hoe een –
ze zijn waarschijnlijk nooit onzeker
– hoe een dag gevuld kan zijn met suiker, honing, alles zoet
Je breekt onder mijn lampen, mijn moeiteloos gestraal
en of je nog wil douchen, of boodschappen schrijven, of twijfelen of blijven
in mijn hoofd is er geen plaats voor drie van je letters
Hier zijn we dan, toon je, ik knik vanbuiten uit het hoofd
de gang, de hal, de voor altijd verwoestende voordeur
maar als je gaat, vraag ik, je draait je om
en smoort mijn omgekeerde vlucht en neemt
mijn hand, ik weet nog hoe ik denk, die krijg ik niet meer terug


dat je rusten zou, vertelde je

dat je rusten zou, vertelde je
want dat had je nauwelijks gedaan
dat kon je niet, dat had
je gewoon niet in je

dat je ergens anders ging, naar
God en weg van niet meer weten
naar niet meer voelen
niet meer wachten

dat je waken zou, beloofde je
over elk van ons, je zou
ons nooit verlaten
nooit helemaal
niet ons


in mijn armen weeg je

in mijn armen weeg je
even weinig als gefluister
ik draag je, je draagt me
over aarde en hemel heen dus
vergeef me, ik vergeef je en
geef je over
aan hierna
tot hierna
tot hierna


Liefde is blind

Liefde is blind
zei ze en
kuste naast zijn lippen
misselijk
van de vlinders in haar buik

Hij lachte schater
begroef toen zijn gezicht
in haar rode jurk
levend
het spartelde niet tegen

Maar wanneer de zomer kwam
die voor een keer niet zonnig was
verwelkten de bloemen
vergingen de schepen
in kunnen we vrienden blijven

En hoewel ze
de wereld aan konden
dàt
konden ze niet