diefstal


Diefstal n°7

We zitten nu, jij tegenover en ik naast.
Ik roep je naam uit duizend hoofden.
Je glimlach doet de zon ontstaan. Ik ben
al weken blind. Er is geen links, ik ken geen rechts.

Je raven wachten bij mijn hart. Ze schreeuwen
vrolijk, doen mijn vlucht vertragen. Hun zwarte jas
versiert de bloemen en de slingers. Ik heb
naar deze dag verlangd. Naar stilte. Naar
hoe je wemelt. Hoe je krast. Klopt. Nog nooit
wist ik me meer bemind.


Diefstal n°6

ik draag rond mij
’t kostuum dat mijn begeren stuurt
mijn drang gedwaal naar donker vlees,
naar ’t bruisen van mijn botten
ik kan alleen naar later leven
geblikt op paarse hemels, er
luisterend naar paddestoelen
armer van ervaring

verwijt ik dat mijn schone jas
geen deel is van mezelf? mijn
schoenen voeren niet mijn hoofd,
mijn maag bepaalt mijn stappen
laat mij mijn buit, bewusteloos
ik zink tussen de stenen
zo wazig is de hele dag, zo
verkwistend alle kleuren

maar jij bent niets zonder je stoffen
zingt zwerend mijn verlangen toe
eerst moet je zeg je voor mij
wat bloemen kopen, een glas wijn
dat is nu eenmaal hoe het gaat
mijn aandacht wordt verhandeld
ik trek mijn huiden langzaam los
en val over je haren

ik adem derdehandse lucht
zoek prenten in de koffers
van oude continenten
en wandel achter na


Diefstal n° 5

Ik verkruimel in de wasplaats na je onverwachte einde
het oordeel in je blik, de verre kusten in je mond
je zegt, ik loop nog met je mee, ik knik
we waren knuffelwild, je schoot me telkens aan
De cadans van raken en rauw gescheur, nu moeten we
ons verleden overleven, ik krijg geen adem meer van jou
Op de televisie bewijzen prachtige figuren hoe een –
ze zijn waarschijnlijk nooit onzeker
– hoe een dag gevuld kan zijn met suiker, honing, alles zoet
Je breekt onder mijn lampen, mijn moeiteloos gestraal
en of je nog wil douchen, of boodschappen schrijven, of twijfelen of blijven
in mijn hoofd is er geen plaats voor drie van je letters
Hier zijn we dan, toon je, ik knik vanbuiten uit het hoofd
de gang, de hal, de voor altijd verwoestende voordeur
maar als je gaat, vraag ik, je draait je om
en smoort mijn omgekeerde vlucht en neemt
mijn hand, ik weet nog hoe ik denk, die krijg ik niet meer terug


Diefstal n° 4

laat hen maar ontdekken, ze zijn
jong genoeg, hun dagen gevuld met wildplukken
en verwondering
hun handen vol sociale gerechtigheid, ze hebben meningen
echte meningen, met gebaren en intonatie
over stakers, sjoemelsoftware
en de laatste nieuwe Disney, ze wandelen net voorbij twintig
rimpelloos en vol vertrouwen in familiebanken
waarom zouden ze zich zorgen maken
waarom zouden ze ooit nog een vraag stellen, ze hebben
de bibliotheek van de hele wereld in hun achterzak
dus digivaardig kijken ze naar katten
en hoe zij wel alles zullen veranderen
verbeteren
wat mij betreft
mogen ze
moeten ze


Diefstal nº 3

hou vol
hou alles vol
met stenen in je rug
en schilfers in je hoofd
dit is een stip, een streep, een stip
je leeft er door, je kent intussen
de ondergaande zon
hou uit, hou vast en hou niet in
en wandel naast het pad
je komt niet daar maar ergens wel
en schraapt de woorden uit je boek
van vluchten en van einde
totdat je zelf je spiegel maakt
en zucht tot zuchten adem wordt
en kijkt en zwijgt en vindt
en voel
hou van