dood


gisteren

ik wou dat je nog gisteren was, toen handen vluchtig antwoord vonden
en je zwijgend mijn kapel bezocht, ik wou dat je nog distels had,
nog niet het onkruid weerde
dat dat wat woekerde en kruipen kon niet vuur en messen vond
ik wou dat je nog wolken kleurde, de lucht met stralen overgoot
dat je nog smaak gaf aan mijn vezels, ik wou dat je nog morgen was
om naar je uit te kijken
dat dat wat goed en levend was geen ondergang verkoos
de dagen niet voorbij
de zon niet onder
de dood gewoon
ontkend


als je nu niet naar me lacht

als je nu niet
naar me lacht dan vernietig je
de hemel veroordeel je
elke engel tot een eindeloze nacht
van storten en sterven
dan verkruimelen de duizend gouden wanden
van alle Jeruzalems dan houden
bloemen op met zingen, grijs gesmoord

als je nu niet naar
me lacht dan beroof je ieder vraagstuk
van zijn zin
stopt de mens met denken, piekeren
dan is geluk voortaan moeiteloos
en uitgedroogd, ontdaan
van diepte de filosofen
worden overbodig

als je nu
als je nu niet naar me
lacht dan ontken je al wat was en kon
dan is de wereld nooit ontstaan, is de
waarheid enkel niets
verwijder je het worden en
is er nooit meer wagen, leven
zijn

als je nu niet naar me lacht


kort

Veel meer dan naar de felle kleuren naar verpakkingen
vol lucht
verlangt mijn hand de grond de aarde
zoekt mijn mond
haar pure smaak

Ik vind het licht in zwarte bodems van het veld
het gras de boom
vertel me waar de vruchten waken
hun zoetheid kruipt de groente bloeit
waar kruid begint waar sap beweegt en
waar
het kalf wil grazen

een Schepper ziet zijn ziel wanneer hij naar
beneden kijkt naar
akkers kijkt de boer schudt hoffelijk mijn schouder
twee meisjes plukken wat ze
schenken lachen lonkend en gezond
Ik weet van waar ik kom ik eet
wat leeft en sterft en wederkeert

in de ketens van mijn stad
Er zijn
verborgen deugden omgespit
geheimen stralend naakt gelegd en regens
gul gebruikt en ieder
woord
gevoed

stadsgedicht nr. 11
(Diest is om op te eten)


Zo hard zoemen dat het pijn doet

Het was dom van u. Niet schattig
of verliefd of romantisch.
Dom.
Hoort ge mij? Dom.
In ogen kijken, dat had ge bijvoorbeeld
niet mogen doen. Of volstromen
van hoop, nog zoiets. Echt beter niet.
Ge hebt gewacht, eerst, en daar
is op zich niks mis mee.
Wachten is hoogstens vervelend.
Maar dan konde ge
opeens niet meer, ge moest en zoudt.
Toen wist ik het eigenlijk al, maar ja.
Toen was het immers al te laat.
Voor u. Veel.
Ge zaagt er goed uit, nog. Nu niet
meer of toch niet zoals vroeger, speels
en weldoorvoed en redelijk
prachtig. Dus ergens begrijp ik het wel.
Maar ergens begrijp ik het wel niet.
Zo giechelen. Zo zuchten.
Zo hard zoemen dat het pijn doet.
Sorry hè, ik probeer ook maar gewoon.
En zeg niet dat ik u niet heb gewaarschuwd,
ik heb u zelfs nog doen wenen toen.
Keihard en vol ongeloof.
Maar ik had niet mogen zeggen dat ge het dan maar zelf moest weten.
Want natuurlijk was het geen
kwestie van weten, dat snap ik ook wel.
En nu zijt ge dood.
Ja, of toch zo’n beetje.
Ik mis u in alle geval.
En toch denk ik dat ge het opnieuw zoudt gedaan hebben.
Het was echt dom van u, ik kan er niet aan doen.
Dom, maar misschien wel goed,
als ge er zo gelukkig van waart.


slaaf

geef me nog meer Griekse mythen
die ik kan drinken tot ik doodval
of steek naalden in mijn armen
en spoel sprookjes door mijn bloed

maak me high van Franse fabels
en duw sagen door mijn strot
mijn geluk, mijn roes, mijn vrede
laat me stikken, gooi me neer

legenden slik ik kwijlend door
en rook hoestende romans
pers een epos in mijn hersens
sluit me op in een verhaal

kras de runen in mijn armen
van een dier, een god, een mens
spuit me vol met metaforen
doe me snakken naar een vers

scheur mijn kleren met parabels
hijg verzinsels in mijn mond
vul met heilige geschriften
alle cellen van mijn lijf

help me zo mezelf vergeten
en verlies me in het vuur
toon me wegen naar Walhalla
ruk me weg uit dit moment