droom


Oh wonderbaar

Oh wonderbaar, verberg je niet.
Vandaag heb ik je lief. Ik heb geen nood
aan veiligheid, onzeker spring ik in het diep.
Je bent al mooi voor ik je ken.

Neem me over, zing je lied. Bij jou
vind ik mijn troost. Je smelt de sneeuw.
Je opent velden. Je laat de gratie dansen.

Ik was nog niets tot jij jouw niets
in dat van mij vervlocht.


wees vanzelf

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
lig in aarde, wees vanzelf
bewaar je wensen bij je goud

woon in stilte, maak haar huis
kruid het zout van onze tranen
we verliezen
geen seconde, we zijn samen
vloeien leeg en vullen uit

reik naar morgen, voel de nacht
draai de wereld om je heen
kom iemand tegen in het bloeien
van je zucht, je dag, je jaar

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
vaar je licht over ons water
beloof ons hier iets weer te vinden
van wie later op ons wacht

stadsgedicht nr. 18
(bij het kunstwerk ‘The ever blossoming garden’)


meer dan een mens

je kent
geen namen, geen gezichten
enkel stemmen dicht en ver
die je droegen in hun vreugde
die je droomden keer op keer

je zendt
ons goddelijk genot, beantwoordt onze vragen
verzacht elke waarom
maakt armen open, hart getroost
brengt verwachtingen tot liefde

je bent
meer dan een mens, een wens, een wonder
een nieuwe adem in de lucht
volmaakt compleet, nooit eerder hier gewoond
en toch meteen al thuis

(voor Mone – 12 oktober ’17)


slaaf

geef me nog meer Griekse mythen
die ik kan drinken tot ik doodval
of steek naalden in mijn armen
en spoel sprookjes door mijn bloed

maak me high van Franse fabels
en duw sagen door mijn strot
mijn geluk, mijn roes, mijn vrede
laat me stikken, gooi me neer

legenden slik ik kwijlend door
en rook hoestende romans
pers een epos in mijn hersens
sluit me op in een verhaal

kras de runen in mijn armen
van een dier, een god, een mens
spuit me vol met metaforen
doe me snakken naar een vers

scheur mijn kleren met parabels
hijg verzinsels in mijn mond
vul met heilige geschriften
alle cellen van mijn lijf

help me zo mezelf vergeten
en verlies me in het vuur
toon me wegen naar Walhalla
ruk me weg uit dit moment


diest twee

ik bewoon de hoogste toren
ik spring gezwind van dak naar boom
ik ben mijn hoofd zo graag verloren
in deze stad waarin ik droom

ik zie mezelf door bossen lopen
beklim kastelen in de lucht
ik verzamel goud met hopen
in deze stad waarin ik zucht

ik blijf wachten, starend slapen
vol bewusteloos geschrijf
met mijn verbeelding als een wapen
voor deze stad waarin ik blijf

stadsgedicht nr. 2