gebed


troost

door straat omarmd, door wijk omvat
gebouwd op rots en steen
lijmt Troost de scherven van de stad
brengt jou en mij bijeen

geprevel uit het achterpand
hun stemmen wiegen zacht
als lichtjes overdag gebrand
nog schijnen door de nacht

er staat een huis, een kerk, een slot
in psalm en wijs geboekt
waar tijd je voert tot stille God
een thuis voor wie haar zoekt

(bundel: De weldaad van het zwijgen)


ik denk niet dat hij nog rustte

ik denk niet dat hij nog rustte
vanaf de achtste dag
hij lijkt me niet zo’n uitgebluste
of één met zelfbeklag

ik denk dat hij toen doodgewoon
incognito werd geroemd
door de ene werd hij zoon
en door de andere, toeval genoemd