hoop


gisteren

ik wou dat je nog gisteren was, toen handen vluchtig antwoord vonden
en je zwijgend mijn kapel bezocht, ik wou dat je nog distels had,
nog niet het onkruid weerde
dat dat wat woekerde en kruipen kon niet vuur en messen vond
ik wou dat je nog wolken kleurde, de lucht met stralen overgoot
dat je nog smaak gaf aan mijn vezels, ik wou dat je nog morgen was
om naar je uit te kijken
dat dat wat goed en levend was geen ondergang verkoos
de dagen niet voorbij
de zon niet onder
de dood gewoon
ontkend


wees vanzelf

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
lig in aarde, wees vanzelf
bewaar je wensen bij je goud

woon in stilte, maak haar huis
kruid het zout van onze tranen
we verliezen
geen seconde, we zijn samen
vloeien leeg en vullen uit

reik naar morgen, voel de nacht
draai de wereld om je heen
kom iemand tegen in het bloeien
van je zucht, je dag, je jaar

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
vaar je licht over ons water
beloof ons hier iets weer te vinden
van wie later op ons wacht

stadsgedicht nr. 18
(bij het kunstwerk ‘The ever blossoming garden’)


espérance

we zijn maar mensen, een hoop
cellen die ons gevangen laten
voelen, een hoop huizen die
ons veilig zijn
en jij en ik daartussen
onze lichamen moe, onze schaduwen
dansend
en dit is maar een stad, een
hoop vormen die ons licht
geven, een hoop tuinen
aan het water
en jij en ik daartussen
onze stemmen zacht, onze woorden
eindeloos
we zijn maar mensen, en dit
is maar een stad, een hoop

stadsgedicht nr. 9