liefde


Diefstal n° 5

Ik verkruimel in de wasplaats na je onverwachte einde
het oordeel in je blik, de verre kusten in je mond
je zegt, ik loop nog met je mee, ik knik
we waren knuffelwild, je schoot me telkens aan
De cadans van raken en rauw gescheur, nu moeten we
ons verleden overleven, ik krijg geen adem meer van jou
Op de televisie bewijzen prachtige figuren hoe een –
ze zijn waarschijnlijk nooit onzeker
– hoe een dag gevuld kan zijn met suiker, honing, alles zoet
Je breekt onder mijn lampen, mijn moeiteloos gestraal
en of je nog wil douchen, of boodschappen schrijven, of twijfelen of blijven
in mijn hoofd is er geen plaats voor drie van je letters
Hier zijn we dan, toon je, ik knik vanbuiten uit het hoofd
de gang, de hal, de voor altijd verwoestende voordeur
maar als je gaat, vraag ik, je draait je om
en smoort mijn omgekeerde vlucht en neemt
mijn hand, ik weet nog hoe ik denk, die krijg ik niet meer terug


als je nu niet naar me lacht

als je nu niet
naar me lacht dan vernietig je
de hemel veroordeel je
elke engel tot een eindeloze nacht
van storten en sterven
dan verkruimelen de duizend gouden wanden
van alle Jeruzalems dan houden
bloemen op met zingen, grijs gesmoord

als je nu niet naar
me lacht dan beroof je ieder vraagstuk
van zijn zin
stopt de mens met denken, piekeren
dan is geluk voortaan moeiteloos
en uitgedroogd, ontdaan
van diepte de filosofen
worden overbodig

als je nu
als je nu niet naar me
lacht dan ontken je al wat was en kon
dan is de wereld nooit ontstaan, is de
waarheid enkel niets
verwijder je het worden en
is er nooit meer wagen, leven
zijn

als je nu niet naar me lacht


Demer en Diest

hij verlangt haar dans, haar
zacht gewoel, cyaan ballet
het oudste van zijn weten
ze ligt in hem, ze vloeit
haar jaren in zijn stenen
onthoudt de wegen naar zijn hart

ik verwacht, zegt Diest, je zoete
monding, ik wil zitten op je banken
en kijken naar de wind, ze zwijgt

en lacht en komt, ze stroomt steeds Demer door hem heen
ik voel me nooit, zegt Diest, verloren
de mensen komen me bewonen
in jouw vallei bouw ik mijn thuis, ze zwijgt
en wijst altijd waarheen ze kijkt,
vooruit

hij streelt haar goud met groene bochten
gebruikt de toppen van zijn torens
en spoelt haar tranen door de zijne
ze ruist en schildert zijn ziel blauw

ik laat je vrij, zegt Diest, maar ik
besta niet zonder je getuimel,
ze klotst, ik zal, zegt ze
je eeuwig nooit verlaten

stadsgedicht nr. 10
(bij de heropening van de Demer)


ik heb je door

ik heb je door
ik luister ook al zeg je niks
ook al weet je niet wat missen is
of wat een hart een zoektocht maakt
je tranen huilen morgen kouder

ik heb je door, ik ken
het bonzen van je voeten op de trap
de sjaals die naar je winters geuren
de bloemen die je knipt, de baden die je duikt
je mond onder de lakens ken ik
je bent niet moeilijk maar complex
gezonder in het weekend
verloren in je vroeger
gesloten overdag
het lezen moe
je bent
thuis

ik leen je slechts heel even
op deze pagina van aarde
mijn aarde, mijn boek
ik vergeet geen letter van je woorden
je ritme leer ik uit het hoofd
je verwacht mijn wonderen, kijkt
met grote ogen naar mijn lach
ik kleed je uit met al mijn zinnen
je kleuren vinden geen kritiek
ik heb je door, zeg ik je toch
ik heb je door, tot in je weten
ik heb je door, tot op het eind
heb ik je door


Zo hard zoemen dat het pijn doet

Het was dom van u. Niet schattig
of verliefd of romantisch.
Dom.
Hoort ge mij? Dom.
In ogen kijken, dat had ge bijvoorbeeld
niet mogen doen. Of volstromen
van hoop, nog zoiets. Echt beter niet.
Ge hebt gewacht, eerst, en daar
is op zich niks mis mee.
Wachten is hoogstens vervelend.
Maar dan konde ge
opeens niet meer, ge moest en zoudt.
Toen wist ik het eigenlijk al, maar ja.
Toen was het immers al te laat.
Voor u. Veel.
Ge zaagt er goed uit, nog. Nu niet
meer of toch niet zoals vroeger, speels
en weldoorvoed en redelijk
prachtig. Dus ergens begrijp ik het wel.
Maar ergens begrijp ik het wel niet.
Zo giechelen. Zo zuchten.
Zo hard zoemen dat het pijn doet.
Sorry hè, ik probeer ook maar gewoon.
En zeg niet dat ik u niet heb gewaarschuwd,
ik heb u zelfs nog doen wenen toen.
Keihard en vol ongeloof.
Maar ik had niet mogen zeggen dat ge het dan maar zelf moest weten.
Want natuurlijk was het geen
kwestie van weten, dat snap ik ook wel.
En nu zijt ge dood.
Ja, of toch zo’n beetje.
Ik mis u in alle geval.
En toch denk ik dat ge het opnieuw zoudt gedaan hebben.
Het was echt dom van u, ik kan er niet aan doen.
Dom, maar misschien wel goed,
als ge er zo gelukkig van waart.