liefde


Demer en Diest

hij verlangt haar dans, haar
zacht gewoel, cyaan ballet
het oudste van zijn weten
ze ligt in hem, ze vloeit
haar jaren in zijn stenen
onthoudt de wegen naar zijn hart

ik verwacht, zegt Diest, je zoete
monding, ik wil zitten op je banken
en kijken naar de wind, ze zwijgt

en lacht en komt, ze stroomt steeds Demer door hem heen
ik voel me nooit, zegt Diest, verloren
de mensen komen me bewonen
in jouw vallei bouw ik mijn thuis, ze zwijgt
en wijst altijd waarheen ze kijkt,
vooruit

hij streelt haar goud met groene bochten
gebruikt de toppen van zijn torens
en spoelt haar tranen door de zijne
ze ruist en schildert zijn ziel blauw

ik laat je vrij, zegt Diest, maar ik
besta niet zonder je getuimel,
ze klotst, ik zal, zegt ze
je eeuwig nooit verlaten

stadsgedicht nr. 10
(bij de heropening van de Demer)


ik heb je door

ik heb je door
ik luister ook al zeg je niks
ook al weet je niet wat missen is
of wat een hart een zoektocht maakt
je tranen huilen morgen kouder

ik heb je door, ik ken
het bonzen van je voeten op de trap
de sjaals die naar je winters geuren
de bloemen die je knipt, de baden die je duikt
je mond onder de lakens ken ik
je bent niet moeilijk maar complex
gezonder in het weekend
verloren in je vroeger
gesloten overdag
het lezen moe
je bent
thuis

ik leen je slechts heel even
op deze pagina van aarde
mijn aarde, mijn boek
ik vergeet geen letter van je woorden
je ritme leer ik uit het hoofd
je verwacht mijn wonderen, kijkt
met grote ogen naar mijn lach
ik kleed je uit met al mijn zinnen
je kleuren vinden geen kritiek
ik heb je door, zeg ik je toch
ik heb je door, tot in je weten
ik heb je door, tot op het eind
heb ik je door


Zo hard zoemen dat het pijn doet

Het was dom van u. Niet schattig
of verliefd of romantisch.
Dom.
Hoort ge mij? Dom.
In ogen kijken, dat had ge bijvoorbeeld
niet mogen doen. Of volstromen
van hoop, nog zoiets. Echt beter niet.
Ge hebt gewacht, eerst, en daar
is op zich niks mis mee.
Wachten is hoogstens vervelend.
Maar dan konde ge
opeens niet meer, ge moest en zoudt.
Toen wist ik het eigenlijk al, maar ja.
Toen was het immers al te laat.
Voor u. Veel.
Ge zaagt er goed uit, nog. Nu niet
meer of toch niet zoals vroeger, speels
en weldoorvoed en redelijk
prachtig. Dus ergens begrijp ik het wel.
Maar ergens begrijp ik het wel niet.
Zo giechelen. Zo zuchten.
Zo hard zoemen dat het pijn doet.
Sorry hè, ik probeer ook maar gewoon.
En zeg niet dat ik u niet heb gewaarschuwd,
ik heb u zelfs nog doen wenen toen.
Keihard en vol ongeloof.
Maar ik had niet mogen zeggen dat ge het dan maar zelf moest weten.
Want natuurlijk was het geen
kwestie van weten, dat snap ik ook wel.
En nu zijt ge dood.
Ja, of toch zo’n beetje.
Ik mis u in alle geval.
En toch denk ik dat ge het opnieuw zoudt gedaan hebben.
Het was echt dom van u, ik kan er niet aan doen.
Dom, maar misschien wel goed,
als ge er zo gelukkig van waart.


ontbijt

je woorden raken me maar
ik blijf onzichtbaar zitten geen
geen ochtend brengt ons bij elkaar
en aan de keukentafel ben
jij in jouw land ik het mijne
te ver gereisd, alweer
elk voor zich ik
stamel iets terug
iets zinloos woordloos
klanken van de nacht
je zucht
honderd zuchten per minuut
tussen al je woorden heen
ik drink om aan iets anders te
denken maar ik denk alleen aan thee


Trouwen

Na nauwelijks een nacht, klaarwakker wachten op mijn heel-erg-nabij-toekomstige, bloemen in de hand. Haar schoonheid met woorden beschrijven is even onmogelijk als de kleur rood proberen ruiken. An. De dag straalt in haar lach, haar jurk, de bomen. Iedere seconde genieten we, van kerk naar feest naar huis. En tussendoor getrouwd worden, door zoveel mensen die dit in pen in hun agenda hebben gezet. Het is een vreemd gevoel om zo centraal te staan, jezelf zo centraal te zetten. Met twee.

Natuurlijk verandert er niks. We hielden al van elkaar, woonden al samen, voedden al katten op. Permanent geringd, maar ook dat went. En toch. Ze is niet een vrouw, ik ben niet een man. Ze is mijn vrouw, ik ben haar man.