lust


cerckel

compact. je zit gevangen in het gras,
niet gekwetst na duizend draden
ik schets je spiegelende brug, je rots,
klim op je bomen. mijn keel verstopt
zich, je oren doof. er is zo veel vervallen
je neemt me rustig in je op. verdwijnt.
geen spel gespeeld en geen geheim, slechts
zwakke muren. je ligt in stoelen
wanneer of als ik je laatst zag. ten einde
raad ik je gedachten. ik laat je met lust.

stadsgedicht nr. 17


tussenin

voel je niet hoezeer ik warmte radieer
en hoe ik keer op keer je bekkenen
trotseer. je hebt mijn slaap ontvoerd, mijn
kippenvel tot soep geroerd.
je straling heeft mijn hals gesnoerd
en mijn geheim geïmmobiliseerd. mijn trucs
ben ik verleerd. je hebt mijn dorst bedwongen,
in één ogenblik verteerd.

ik heb je heel mijn tekst gezongen, mijn liefde uit
haar hoek gewrongen. je kreten
springen in mijn longen. je hijgen nog veel hoger.
waarom ik hier mezelf verlies, mijn keuzes maak naar
jouw advies, ik kan psychisch niet minderen, de
hinder van je passie, het geluk van mijn gevecht.

je houdt me telkens vaster, geen gulzigheid
maar lof, ik wil hier weg en nooit meer
ergens anders zijn, nooit meer.


Demer en Diest

hij verlangt haar dans, haar
zacht gewoel, cyaan ballet
het oudste van zijn weten
ze ligt in hem, ze vloeit
haar jaren in zijn stenen
onthoudt de wegen naar zijn hart

ik verwacht, zegt Diest, je zoete
monding, ik wil zitten op je banken
en kijken naar de wind, ze zwijgt

en lacht en komt, ze stroomt steeds Demer door hem heen
ik voel me nooit, zegt Diest, verloren
de mensen komen me bewonen
in jouw vallei bouw ik mijn thuis, ze zwijgt
en wijst altijd waarheen ze kijkt,
vooruit

hij streelt haar goud met groene bochten
gebruikt de toppen van zijn torens
en spoelt haar tranen door de zijne
ze ruist en schildert zijn ziel blauw

ik laat je vrij, zegt Diest, maar ik
besta niet zonder je getuimel,
ze klotst, ik zal, zegt ze
je eeuwig nooit verlaten

stadsgedicht nr. 10
(bij de heropening van de Demer)


slaaf

geef me nog meer Griekse mythen
die ik kan drinken tot ik doodval
of steek naalden in mijn armen
en spoel sprookjes door mijn bloed

maak me high van Franse fabels
en duw sagen door mijn strot
mijn geluk, mijn roes, mijn vrede
laat me stikken, gooi me neer

legenden slik ik kwijlend door
en rook hoestende romans
pers een epos in mijn hersens
sluit me op in een verhaal

kras de runen in mijn armen
van een dier, een god, een mens
spuit me vol met metaforen
doe me snakken naar een vers

scheur mijn kleren met parabels
hijg verzinsels in mijn mond
vul met heilige geschriften
alle cellen van mijn lijf

help me zo mezelf vergeten
en verlies me in het vuur
toon me wegen naar Walhalla
ruk me weg uit dit moment


prinses, ik roep je zonder eind

prinses, ik roep je zonder eind
vol hoop dat onrust dan verdwijnt
ik vecht voor ’t winnen van je hart
je hoofd, je vrees, je lach, je smart
ik strijd en dood de monsters die
ik in je oog mijn spiegel zie
en lust je lijf dat ik zo mis
dat naakt zo smaakt als honing is
schreeuw terug, gil uit of kreun me toe
en toon me zo dat wat ik doe
je raakt, bevrijdt, je ziel beroert
me dichter tot je toren voert