natuur


kort

Veel meer dan naar de felle kleuren naar verpakkingen
vol lucht
verlangt mijn hand de grond de aarde
zoekt mijn mond
haar pure smaak

Ik vind het licht in zwarte bodems van het veld
het gras de boom
vertel me waar de vruchten waken
hun zoetheid kruipt de groente bloeit
waar kruid begint waar sap beweegt en
waar
het kalf wil grazen

een Schepper ziet zijn ziel wanneer hij naar
beneden kijkt naar
akkers kijkt de boer schudt hoffelijk mijn schouder
twee meisjes plukken wat ze
schenken lachen lonkend en gezond
Ik weet van waar ik kom ik eet
wat leeft en sterft en wederkeert

in de ketens van mijn stad
Er zijn
verborgen deugden omgespit
geheimen stralend naakt gelegd en regens
gul gebruikt en ieder
woord
gevoed

stadsgedicht nr. 11
(Diest is om op te eten)


regen

het water valt, verfrist gezicht
kroezelt kruinen, zachter dan gewas
ik kom toe waar zij blijft staan
ze ruikt naar wortelen en haren
en gewoel onder de lakens

‘onderweg?’ vraagt ze en doet
alsof mijn antwoord niet bestaat
ik kijk naar boven, naar het nat
dat de hemel in mijn ogen valt

en sluit
het stil gemopper van de wandelaars
het plassen van de straat
de druppels op mijn handen
de buien in haar hoofd
er is geen leven
zonder


diest één

ik vond je aan
stenen straten
aan gebouwen die gehuisd
voltooid deelwoord zijn van vroeger

je zit er voor je
uit te kijken
in de stoel van het verleden
met je handen groen geplooid
aan een stad, je bestaat
in de mensen nog veel meer

en zwijgen doe je nooit
bij jou is het fluisteren of

fluisteren of lachen

stadsgedicht nr. 1
(bij mijn aanstelling)


de zon die loerde me naar buiten

de zon die loerde me naar buiten
deed me stralend liedjes fluiten
scheen heel zacht voor me te zijn
verwarmde me, verjoeg de pijn
deed me blozen, rood als vuur
stond aan mijn zijde, ieder uur
was haast te veel, verstikte mij
drong in mij, mijn hart dicht nabij
verbrandde mij, ik was haar oogst
ze kwelde, zij stond allerhoogst
ik was niet meer, bedrogen wonde
dan zon, de zon, de zon, de zonde