poëzie


1964 1

ik zit buiten in mijn verzameling langzaam stervende dingen. de takken jeuken.
de kevers wenen in hun schild. ik weet nog hoe ik, gisteren of vorig jaar

mijn stem verloor. sindsdien heb ik gezongen zonder. mijn handen zoeken bossen.
de stenen van mijn tuin zijn net als ik. ze raken elkaar niet, nooit helemaal.

hoe moet hier ooit nog iets uit groeien. hoe kan. hoe zou.
hoe wil.


Onthoudingen

Ik ben bedrukt in mijn Onthoudingen.

Stad Diest en OCMW Diest verzamelden mijn stadsgedichten.

Wie een bundel poëzie wil, weet me te vinden.

 


Diefstal n°7

We zitten nu, jij tegenover en ik naast.
Ik roep je naam uit duizend hoofden.
Je glimlach doet de zon ontstaan. Ik ben
al weken blind. Er is geen links, ik ken geen rechts.

Je raven wachten bij mijn hart. Ze schreeuwen
vrolijk, doen mijn vlucht vertragen. Hun zwarte jas
versiert de bloemen en de slingers. Ik heb
naar deze dag verlangd. Naar stilte. Naar
hoe je wemelt. Hoe je krast. Klopt. Nog nooit
wist ik me meer bemind.

(voor Karo)


gisteren

ik wou dat je nog gisteren was, toen handen vluchtig antwoord vonden
en je zwijgend mijn kapel bezocht, ik wou dat je nog distels had
nog niet het onkruid weerde, dat dat wat woekerde en kruipen kon
niet vuur en messen vond. ik wou dat je nog wolken kleurde,
de kuisheid van je dagen in je avonden verdween, je lucht mijn adem stokte.
dat je nog smaak gaf aan mijn vezels, ik wou dat je nog morgen was
om naar je uit te kijken. dat dat wat goed en levend was geen ondergang verkoos
de uren niet voorbij
de zon niet onder
de dood gewoon
ontkend


als

ik heb je liever als de zon

– ik heb je liever als de zon wat?

wat?

– ik heb je liever als de zon opkomt? of als de zon ondergaat?

nee, altijd

– altijd is te lang

nu dan. voortdurend

– voortdurend onvoorwaardelijk liever?

dat bedoel ik. ik kan niet stoppen

– alles kan stoppen

ik niet. ik heb je liever

– dan?

ja. ik heb je liever dan alles