stadsgedicht


de dame en de heer

de dame en de heer zij ontmoeten elkaar
op het plein nabij de holle griet
de dame is niet groot en de heer is niet beroemd
zij zagen elkaar in het echt nog nooit
de heer is blij dat de dame een dame is
de dame is vrij van verwachten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij stappen openbaar
voorbij de bibliotheek van steen en papier
de dame is nieuw in deze stad en de heer oud
zij voelen de warmte van de zon
de heer probeert te praten over werken
de dame denkt aan eten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij kijken naar
de vogels in het bekken van het moeras
de dame is verrast door de bloemen en de heer ook
zij gaan zitten op de bank
de heer vraagt of hij haar mag zoenen
de dame vraagt niks terug
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij zijn klaar
met het zoeken naar een halve maan
de dame is rustiger dan ooit en de heer nerveus
zij zullen deze dagen niet vergeten
de heer bedankt haar voor de tijd
de dame wil niet alleen sterven
want dat deed ze vroeger al te vaak

stadsgedicht nr. 15


sneller

ik ken je nog als kind, je gesloten
deuren vol met levens die ik nooit ontdekken zou,
de vogels in je torens en de klokken
in je bomen. ik was
onbelangrijk in je ogen en daarom deel van jou.
je geschiedenis achter glas, je kasseien
nog ongebarsten. fietsers werden hersteld in
je cafés, hun tuigen bij de buren. ik moest door
het bos je ramen zien, je pad kruisen. je had
een kleine bioscoop, daar kwam ik je graag zien,
geanimeerd. en ook je maaltijd, en dat ik die
zou proeven, de smaken van je
streek, je talenten en specialiteiten
op je zware eiken tafels. de begijnen
van je hof knikten, hun glimlach in de steen
gebeiteld. slapen deed ik nooit in jou,
het duurde een jeugd voor ik je
’s nachts mocht kennen. je had op me
gewacht, maar was niet gespaard van
liefkozingen en geweld. je pleinen ingedeukt,
je parken aangebrand. je staat in trotse
glorie tussen wal en haag, tussen water en
kamp, tussen campus en vlakte. trek me
binnen in je poorten, duw mijn voeten op
je trap. verwacht me onder je lakens. ik ben thuis.

stadsgedicht nr. 14


Ik kom

Ik dool schetsend door je lanen, je hindert me, beveelt mijn kasseien tot gehoorzaamheid
       Ik kom
Mijn vragen richten zich naar je voortdurend geplunderde gevels
Ik verwoest
Ik verwoest
Ik vergeet je oude adres, sta te schreeuwen op je wallen, trek ten strijde met je boeren

Waarom zijn je goten leeg, sterven vogels in mijn kooi
Ik wil alleen nog maar
Ik wil alleen nog maar
alleen
nog maar mijn gezicht parkeren in je kussens, een einde vinden in je rots
Laat me je hijgend inhalen, voorbij je stoten, zodat je grijpen mij bevrijdt, je vertrek mijn aankomst is en al het ander niet bestaat
       Ik kom
       Ik sta
       en ik leg neer.

stadsgedicht nr. 13


F.

blazer, schuiver, duwer, vechter
zo verenigd in het hert
maken lucht nog levensechter
bouwen leegte tot concert

drager, zoener, speler, jager
brengen liefdes naar hun mond
handen, lippen, hoger, lager
draaien noten in het rond

vangen holtes, kennen kloven
dribbelen door klanken heen
schuiven klinkers naar hierboven
glijden ladders naar beneen

laten Schaffen vroeg ontwaken
leiden marsen aan het hoofd
zwellen adem over daken
Sint-Hubertus wordt geloofd

stadsgedicht nr. 12
(voor de dorpsmuzikanten)


kort

Veel meer dan naar de felle kleuren naar verpakkingen
vol lucht
verlangt mijn hand de grond de aarde
zoekt mijn mond
haar pure smaak

Ik vind het licht in zwarte bodems van het veld
het gras de boom
vertel me waar de vruchten waken
hun zoetheid kruipt de groente bloeit
waar kruid begint waar sap beweegt en
waar
het kalf wil grazen

een Schepper ziet zijn ziel wanneer hij naar
beneden kijkt naar
akkers kijkt de boer schudt hoffelijk mijn schouder
twee meisjes plukken wat ze
schenken lachen lonkend en gezond
Ik weet van waar ik kom ik eet
wat leeft en sterft en wederkeert

in de ketens van mijn stad
Er zijn
verborgen deugden omgespit
geheimen stralend naakt gelegd en regens
gul gebruikt en ieder
woord
gevoed

stadsgedicht nr. 11
(Diest is om op te eten)