vroeger


onuitgesproken

ik vertoef in mijn zelfgemaakte kamer. de muren
worden grijs van schimmel en herinneringen. mijn
kruisboog staat gespannen, ook al ben ik het doden
niet van plan. ach, hoe veracht ik toch mijn
medemens, met zijn bloemen en violen en geduldige
onwetendheid. jij ligt verdoofd naast me. het
lachende wantrouwen is opgerold in je schoot,
je maakt geen plaats voor actualiteiten of
zachtmoedigheid. daarom wil ik je niet wekken. of
de keuze maken tussen Dafalgan en de pijn van
middelmatigheid. maar dan word je alsnog wakker
om mijn kamer weer wat kleiner te maken en met
je zwijgen aan mijn rechtszaak te beginnen. bij ons
wordt er geen geloof gehecht aan de algemeenheden
die we verkondigen. ik faal in mijn metrum. en
wanneer de nacht de dag opdoekt, ontmantel ik je
zinnen en tel ik de cijfers tot mijn tijdelijke einde.


souvenir

we zijn weer terug naar toen
gebloemde jurk bij enkels hoog
en stippen op het tafelkleed
het park stroomt vol van vroeger nu
chansons vullen de glazen
en mensen kleuren met hun lach
het hemelgrijze blauw

kijk rond in kramen met je maten
en zoek kappers achter haar
vang eendjes in de vijver, luister
naar ’t geluid van honderd heupen
en ruik je buiken vol
we zijn weer terug naar heen vandaag

en zien
de Seine stroomt door Diest

stadsgedicht nr. 8
(tijdens Retro Jardin)