Poëzie


Ana

zacht gras voor blote voeten
ben je, een boek vol mooie woorden
en het bed na lange dagen, jij maakt
in ons lied de brug
niet vanzelfsprekend
wel buitengewoon
welkom


ruïne

niet de toren die verbrokkelt
onder jarenlang verdriet
maar een bloem die nog gesloten
wacht op lente en haar lied

niet het stormen van gedachten
tot het pijn doet in je hoofd
maar een lange stille regen
die ooit groei en bloei belooft

laat me jou daarin wat troosten
meer dan zitten en nabij
laat mijn armen je ontmoeten
laat je tranen vrij bij mij

wij zijn bloemen, wij zijn regen
samen wachtend op nadien
ik wil bij je kunnen zwijgen
en je eerste lach terugzien


vooruit

geen tocht van gouden waters of
een queeste naar de graal
geen rijkdom, schatten, draken
in dit epische verhaal

wel hun zorgend zachte handen
harten in zonder geluid
het zijn tranen in het duister
maar in het licht
steeds weer vooruit


gij moet

gij moet een auto hebben auto auto
gij hebt geen auto
gij alternatieveling
gij linkse rat, gij profiteur

gij moet drinken drinken alcohol drinken
gij drinkt geen druppel
gij uitzondering
gij arrogante sfeerbederver

gij moet een kind hebben kind kind kind
gij hebt geen kind
gij afwijking
gij egoïst, gij onvolmaakte

gij abnormale
marginale
extremist


weg

je schrapt me
weigert litteken te zijn
in plaats daarvan voel ik je weg
in elke kleine wonde

dus dwaal ik zonder ogen
peuzelend en schrokkend van je nacht
met elk fragment van je scherven
geklemd tussen mijn vingers

niks is zo zeker, zo stabiel
als jouw geschenk van twijfel
je bent
je bent
permanent


Juno

je begint
als wit papier dat
onbeschrijflijk vers
volmaakt en vol van zin
verlangt naar een verhaal

je leeft zo nieuw zo nu
zo welkom in de wereld, je bent
muziek die nog ontbrak
je naam het juiste woord
en niemand kan
zoveel als jij


Oh wonderbaar

Oh wonderbaar, verberg je niet.
Vandaag heb ik je lief. Ik heb geen nood
aan veiligheid, onzeker spring ik in het diep.
Je bent al mooi voor ik je ken.

Neem me over, zing je lied. Bij jou
vind ik mijn troost. Je smelt de sneeuw.
Je opent velden. Je laat de gratie dansen.

Ik was nog niets tot jij jouw niets
in dat van mij vervlocht.


troost

door straat omarmd, door wijk omvat
gebouwd op rots en steen
lijmt Troost de scherven van de stad
brengt jou en mij bijeen

geprevel uit het achterpand
hun stemmen wiegen zacht
als lichtjes overdag gebrand
nog schijnen door de nacht

er staat een huis, een kerk, een slot
in psalm en wijs geboekt
waar tijd je voert tot stille God
een thuis voor wie haar zoekt

(bundel: De weldaad van het zwijgen)


Impression Palindrome

ik bel je op en tel je namen | ik hoor slechts twaalf en weet er twee
ik vraag
of jij me straks rondleiden wil | dat gaat niet
er is geen tijd
laat staan
een richting

wanneer je ooit | veroverd werd
door mij of iemand anders
ging nooit een slag of stoot verloren | maar nerven werden dieper
juwelen werden vuiler
je huizen | pleinen nieuwer

ik lach altijd wanneer je weer
je links en rechts verwart

en eigenlijk | woon je alleen
en eigenlijk kan niemand zeggen hoe schoon je bent
en | of hoe vaak je vecht
met mij of iemand anders
in tuinen | verborgen en versierd

en net als jij heb ik geen doel
wil ik slechts vallen
vergeten
ondergaan onder | gaan
jij vraagt
je namen niet te tellen | en enkel jou te kennen

(voor N9)


1964

ik zit buiten in mijn verzameling langzaam stervende dingen. de takken jeuken.
de kevers wenen in hun schild. ik weet nog hoe ik, gisteren of vorig jaar

mijn stem verloor. sindsdien heb ik gezongen zonder. mijn handen zoeken bossen.
de stenen van mijn tuin zijn net als ik. ze raken elkaar niet, nooit helemaal.

hoe moet hier ooit nog iets uit groeien. hoe kan. hoe zou.
hoe wil.


Onthoudingen

Ik ben bedrukt in mijn Onthoudingen.

Stad Diest en OCMW Diest verzamelden mijn stadsgedichten.

Wie een bundel poëzie wil, weet me te vinden.

 


Diefstal n°7

We zitten nu, jij tegenover en ik naast.
Ik roep je naam uit duizend hoofden.
Je glimlach doet de zon ontstaan. Ik ben
al weken blind. Er is geen links, ik ken geen rechts.

Je raven wachten bij mijn hart. Ze schreeuwen
vrolijk, doen mijn vlucht vertragen. Hun zwarte jas
versiert de bloemen en de slingers. Ik heb
naar deze dag verlangd. Naar stilte. Naar
hoe je wemelt. Hoe je krast. Klopt. Nog nooit
wist ik me meer bemind.

(voor Karo)


gisteren

ik wou dat je nog gisteren was, toen handen vluchtig antwoord vonden
en je zwijgend mijn kapel bezocht, ik wou dat je nog distels had
nog niet het onkruid weerde, dat dat wat woekerde en kruipen kon
niet vuur en messen vond. ik wou dat je nog wolken kleurde,
de kuisheid van je dagen in je avonden verdween, je lucht mijn adem stokte.
dat je nog smaak gaf aan mijn vezels, ik wou dat je nog morgen was
om naar je uit te kijken. dat dat wat goed en levend was geen ondergang verkoos
de uren niet voorbij
de zon niet onder
de dood gewoon
ontkend


als

ik heb je liever als de zon

– ik heb je liever als de zon wat?

wat?

– ik heb je liever als de zon opkomt? of als de zon ondergaat?

nee, altijd

– altijd is te lang

nu dan. voortdurend

– voortdurend onvoorwaardelijk liever?

dat bedoel ik. ik kan niet stoppen

– alles kan stoppen

ik niet. ik heb je liever

– dan?

ja. ik heb je liever dan alles


wees vanzelf

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
lig in aarde, wees vanzelf
bewaar je wensen bij je goud

woon in stilte, maak haar huis
kruid het zout van onze tranen
we verliezen
geen seconde, we zijn samen
vloeien leeg en vullen uit

reik naar morgen, voel de nacht
draai de wereld om je heen
kom iemand tegen in het bloeien
van je zucht, je dag, je jaar

maak ons jonger dan we waren

spaar geen honger naar je kleur
vaar je licht over ons water
beloof ons hier iets weer te vinden
van wie later op ons wacht

stadsgedicht nr. 18
(bij het kunstwerk ‘The ever blossoming garden’)


meer dan een mens

je kent
geen namen, geen gezichten
enkel stemmen dicht en ver
die je droegen in hun vreugde
die je droomden keer op keer

je zendt
ons goddelijk genot, beantwoordt onze vragen
verzacht elke waarom
maakt armen open, hart getroost
brengt verwachtingen tot liefde

je bent
meer dan een mens, een wens, een wonder
een nieuwe adem in de lucht
volmaakt compleet, nooit eerder hier gewoond
en toch meteen al thuis

(voor Mone – 12 oktober ’17)


cerckel

compact. je zit gevangen in het gras,
niet gekwetst na duizend draden
ik schets je spiegelende brug, je rots,
klim op je bomen. mijn keel verstopt
zich, je oren doof. er is zo veel vervallen
je neemt me rustig in je op. verdwijnt.
geen spel gespeeld en geen geheim, slechts
zwakke muren. je ligt in stoelen
wanneer of als ik je laatst zag. ten einde
raad ik je gedachten. ik laat je met lust.

stadsgedicht nr. 17


mee

omgeven door je vele namen
verdiep ik me in je gedachten
je witte blad, je kans op leven
in je kreupelhout beland ik

omwikkeld door je vele eeuwen
ontmoet ik mensen in de sporen
die ze in je wangen kerven
mijn streep trek ik er onder

omtrokken door je vele hoogtes
bereik ik je geheime deur
je draait nog verder door me heen
naar je wachten luister ik

stadsgedicht nr. 16
(bij het kunstwerk ‘Measuring Diest’)


30

geen huis bouw ik, mijn lente
graaft nagels over glas
en zoekt een stenen tafel
haar kleur verzonnen tussen splinters
maar in de strenge blik van wit papier
pauze
de mist trekt op, de lijnen blijken voorgedrukt
ik moet van niets of niemand weten
laat mij zitten op mijn hout
zonder leegte of betekenis, ik wil
de maan veranderen en dan vergeten worden
mijn plannen opgevouwen, laat ze achter op de sporen
in de geur van dijen en van golven

enkel jij beziet mijn dansen, mijn lachen
bezingt mijn klauwen, enkel jij vraagt scherven
ik leid je naar het feest van mieren en van doeken
onder de grote groene sproeiers
enkel jij bent overbodig, wat
maakt je dat aanwezig
ik ben mijn eigen grote wijzer
en besta
genoeg vandaag


de dame en de heer

de dame en de heer zij ontmoeten elkaar
op het plein nabij de holle griet
de dame is niet groot en de heer is niet beroemd
zij zagen elkaar in het echt nog nooit
de heer is blij dat de dame een dame is
de dame is vrij van verwachten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij stappen openbaar
voorbij de bibliotheek van steen en papier
de dame is nieuw in deze stad en de heer oud
zij voelen de warmte van de zon
de heer probeert te praten over werken
de dame denkt aan eten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij kijken naar
de vogels in het bekken van het moeras
de dame is verrast door de bloemen en de heer ook
zij gaan zitten op de bank
de heer vraagt of hij haar mag zoenen
de dame vraagt niks terug
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij zijn klaar
met het zoeken naar een halve maan
de dame is rustiger dan ooit en de heer nerveus
zij zullen deze dagen niet vergeten
de heer bedankt haar voor de tijd
de dame wil niet alleen sterven
want dat deed ze vroeger al te vaak

stadsgedicht nr. 15


Diefstal n°6

ik draag rond mij
’t kostuum dat mijn begeren stuurt
mijn drang gedwaal naar donker vlees,
naar ’t bruisen van mijn botten
ik kan alleen naar later leven
geblikt op paarse hemels, er
luisterend naar paddestoelen
armer van ervaring

verwijt ik dat mijn schone jas
geen deel is van mezelf? mijn
schoenen voeren niet mijn hoofd,
mijn maag bepaalt mijn stappen
laat mij mijn buit, bewusteloos
ik zink tussen de stenen
zo wazig is de hele dag, zo
verkwistend alle kleuren

maar jij bent niets zonder je stoffen
zingt zwerend mijn verlangen toe
eerst moet je zeg je voor mij
wat bloemen kopen, een glas wijn
dat is nu eenmaal hoe het gaat
mijn aandacht wordt verhandeld
ik trek mijn huiden langzaam los
en val over je haren

ik adem derdehandse lucht
zoek prenten in de koffers
van oude continenten
en wandel achter na


Lijstje

– ik wil
– zie hierboven
– ik wil even op een rijtje
– alles kunnen zeggen
– veel mogen doen
– dromen laten stapelen

– je dwingt me tot keuzes, zoals
– welke bruggen te verbranden
– wat ik het meest bemin
– of wie te willen zijn

– maar
– ik weet alleen
– ik weet dat sommige mensen
– thuishoren in hetzelfde gele boek
– wensen met hun handen

– verdwijnen in hallo’s


sneller

ik ken je nog als kind, je gesloten
deuren vol met levens die ik nooit ontdekken zou,
de vogels in je torens en de klokken
in je bomen. ik was
onbelangrijk in je ogen en daarom deel van jou.
je geschiedenis achter glas, je kasseien
nog ongebarsten. fietsers werden hersteld in
je cafés, hun tuigen bij de buren. ik moest door
het bos je ramen zien, je pad kruisen. je had
een kleine bioscoop, daar kwam ik je graag zien,
geanimeerd. en ook je maaltijd, en dat ik die
zou proeven, de smaken van je
streek, je talenten en specialiteiten
op je zware eiken tafels. de begijnen
van je hof knikten, hun glimlach in de steen
gebeiteld. slapen deed ik nooit in jou,
het duurde een jeugd voor ik je
’s nachts mocht kennen. je had op me
gewacht, maar was niet gespaard van
liefkozingen en geweld. je pleinen ingedeukt,
je parken aangebrand. je staat in trotse
glorie tussen wal en haag, tussen water en
kamp, tussen campus en vlakte. trek me
binnen in je poorten, duw mijn voeten op
je trap. verwacht me onder je lakens. ik ben thuis.

stadsgedicht nr. 14


tussenin

voel je niet hoezeer ik warmte radieer
en hoe ik keer op keer je bekkenen
trotseer. je hebt mijn slaap ontvoerd, mijn
kippenvel tot soep geroerd.
je straling heeft mijn hals gesnoerd
en mijn geheim geïmmobiliseerd. mijn trucs
ben ik verleerd. je hebt mijn dorst bedwongen,
in één ogenblik verteerd.

ik heb je heel mijn tekst gezongen, mijn liefde uit
haar hoek gewrongen. je kreten
springen in mijn longen. je hijgen nog veel hoger.
waarom ik hier mezelf verlies, mijn keuzes maak naar
jouw advies, ik kan psychisch niet minderen, de
hinder van je passie, het geluk van mijn gevecht.

je houdt me telkens vaster, geen gulzigheid
maar lof, ik wil hier weg en nooit meer
ergens anders zijn, nooit meer.


onuitgesproken

ik vertoef in mijn zelfgemaakte kamer. de muren
worden grijs van schimmel en herinneringen. mijn
kruisboog staat gespannen, ook al ben ik het doden
niet van plan. ach, hoe veracht ik toch mijn
medemens, met zijn bloemen en violen en geduldige
onwetendheid. jij ligt verdoofd naast me. het
lachende wantrouwen is opgerold in je schoot,
je maakt geen plaats voor actualiteiten of
zachtmoedigheid. daarom wil ik je niet wekken. of
de keuze maken tussen Dafalgan en de pijn van
middelmatigheid. maar dan word je alsnog wakker
om mijn kamer weer wat kleiner te maken en met
je zwijgen aan mijn rechtszaak te beginnen. bij ons
wordt er geen geloof gehecht aan de algemeenheden
die we verkondigen. ik faal in mijn metrum. en
wanneer de nacht de dag opdoekt, ontmantel ik je
zinnen en tel ik de cijfers tot mijn tijdelijke einde.


Ik kom

Ik dool schetsend door je lanen, je hindert me, beveelt mijn kasseien tot gehoorzaamheid
       Ik kom
Mijn vragen richten zich naar je voortdurend geplunderde gevels
Ik verwoest
Ik verwoest
Ik vergeet je oude adres, sta te schreeuwen op je wallen, trek ten strijde met je boeren

Waarom zijn je goten leeg, sterven vogels in mijn kooi
Ik wil alleen nog maar
Ik wil alleen nog maar
alleen
nog maar mijn gezicht parkeren in je kussens, een einde vinden in je rots
Laat me je hijgend inhalen, voorbij je stoten, zodat je grijpen mij bevrijdt, je vertrek mijn aankomst is en al het ander niet bestaat
       Ik kom
       Ik sta
       en ik leg neer.

stadsgedicht nr. 13


F.

blazer, schuiver, duwer, vechter
zo verenigd in het hert
maken lucht nog levensechter
bouwen leegte tot concert

drager, zoener, speler, jager
brengen liefdes naar hun mond
handen, lippen, hoger, lager
draaien noten in het rond

vangen holtes, kennen kloven
dribbelen door klanken heen
schuiven klinkers naar hierboven
glijden ladders naar beneen

laten Schaffen vroeg ontwaken
leiden marsen aan het hoofd
zwellen adem over daken
Sint-Hubertus wordt geloofd

stadsgedicht nr. 12
(voor de dorpsmuzikanten)


Diefstal n° 5

Ik verkruimel in de wasplaats na je onverwachte einde
het oordeel in je blik, de verre kusten in je mond
je zegt, ik loop nog met je mee, ik knik
we waren knuffelwild, je schoot me telkens aan
De cadans van raken en rauw gescheur, nu moeten we
ons verleden overleven, ik krijg geen adem meer van jou
Op de televisie bewijzen prachtige figuren hoe een –
ze zijn waarschijnlijk nooit onzeker
– hoe een dag gevuld kan zijn met suiker, honing, alles zoet
Je breekt onder mijn lampen, mijn moeiteloos gestraal
en of je nog wil douchen, of boodschappen schrijven, of twijfelen of blijven
in mijn hoofd is er geen plaats voor drie van je letters
Hier zijn we dan, toon je, ik knik vanbuiten uit het hoofd
de gang, de hal, de voor altijd verwoestende voordeur
maar als je gaat, vraag ik, je draait je om
en smoort mijn omgekeerde vlucht en neemt
mijn hand, ik weet nog hoe ik denk, die krijg ik niet meer terug


als je nu niet naar me lacht

als je nu niet
naar me lacht dan vernietig je
de hemel veroordeel je
elke engel tot een eindeloze nacht
van storten en sterven
dan verkruimelen de duizend gouden wanden
van alle Jeruzalems dan houden
bloemen op met zingen, grijs gesmoord

als je nu niet naar
me lacht dan beroof je ieder vraagstuk
van zijn zin
stopt de mens met denken, piekeren
dan is geluk voortaan moeiteloos
en uitgedroogd, ontdaan
van diepte de filosofen
worden overbodig

als je nu
als je nu niet naar me
lacht dan ontken je al wat was en kon
dan is de wereld nooit ontstaan, is de
waarheid enkel niets
verwijder je het worden en
is er nooit meer wagen, leven
zijn

als je nu niet naar me lacht


kort

Veel meer dan naar de felle kleuren naar verpakkingen
vol lucht
verlangt mijn hand de grond de aarde
zoekt mijn mond
haar pure smaak

Ik vind het licht in zwarte bodems van het veld
het gras de boom
vertel me waar de vruchten waken
hun zoetheid kruipt de groente bloeit
waar kruid begint waar sap beweegt en
waar
het kalf wil grazen

een Schepper ziet zijn ziel wanneer hij naar
beneden kijkt naar
akkers kijkt de boer schudt hoffelijk mijn schouder
twee meisjes plukken wat ze
schenken lachen lonkend en gezond
Ik weet van waar ik kom ik eet
wat leeft en sterft en wederkeert

in de ketens van mijn stad
Er zijn
verborgen deugden omgespit
geheimen stralend naakt gelegd en regens
gul gebruikt en ieder
woord
gevoed

stadsgedicht nr. 11
(Diest is om op te eten)


Demer en Diest

hij verlangt haar dans, haar
zacht gewoel, cyaan ballet
het oudste van zijn weten
ze ligt in hem, ze vloeit
haar jaren in zijn stenen
onthoudt de wegen naar zijn hart

ik verwacht, zegt Diest, je zoete
monding, ik wil zitten op je banken
en kijken naar de wind, ze zwijgt

en lacht en komt, ze stroomt steeds Demer door hem heen
ik voel me nooit, zegt Diest, verloren
de mensen komen me bewonen
in jouw vallei bouw ik mijn thuis, ze zwijgt
en wijst altijd waarheen ze kijkt,
vooruit

hij streelt haar goud met groene bochten
gebruikt de toppen van zijn torens
en spoelt haar tranen door de zijne
ze ruist en schildert zijn ziel blauw

ik laat je vrij, zegt Diest, maar ik
besta niet zonder je getuimel,
ze klotst, ik zal, zegt ze
je eeuwig nooit verlaten

stadsgedicht nr. 10
(bij de heropening van de Demer)


espérance

we zijn maar mensen, een hoop
cellen die ons gevangen laten
voelen, een hoop huizen die
ons veilig zijn
en jij en ik daartussen
onze lichamen moe, onze schaduwen
dansend
en dit is maar een stad, een
hoop vormen die ons licht
geven, een hoop tuinen
aan het water
en jij en ik daartussen
onze stemmen zacht, onze woorden
eindeloos
we zijn maar mensen, en dit
is maar een stad, een hoop

stadsgedicht nr. 9


ik heb je door

ik heb je door
ik luister ook al zeg je niks
ook al weet je niet wat missen is
of wat een hart een zoektocht maakt
je tranen huilen morgen kouder

ik heb je door, ik ken
het bonzen van je voeten op de trap
de sjaals die naar je winters geuren
de bloemen die je knipt, de baden die je duikt
je mond onder de lakens ken ik
je bent niet moeilijk maar complex
gezonder in het weekend
verloren in je vroeger
gesloten overdag
het lezen moe
je bent
thuis

ik leen je slechts heel even
op deze pagina van aarde
mijn aarde, mijn boek
ik vergeet geen letter van je woorden
je ritme leer ik uit het hoofd
je verwacht mijn wonderen, kijkt
met grote ogen naar mijn lach
ik kleed je uit met al mijn zinnen
je kleuren vinden geen kritiek
ik heb je door, zeg ik je toch
ik heb je door, tot in je weten
ik heb je door, tot op het eind
heb ik je door


regen

het water valt, verfrist gezicht
kroezelt kruinen, zachter dan gewas
ik kom toe waar zij blijft staan
ze ruikt naar wortelen en haren
en gewoel onder de lakens

‘onderweg?’ vraagt ze en doet
alsof mijn antwoord niet bestaat
ik kijk naar boven, naar het nat
dat de hemel in mijn ogen valt

en sluit
het stil gemopper van de wandelaars
het plassen van de straat
de druppels op mijn handen
de buien in haar hoofd
er is geen leven
zonder


souvenir

we zijn weer terug naar toen
gebloemde jurk bij enkels hoog
en stippen op het tafelkleed
het park stroomt vol van vroeger nu
chansons vullen de glazen
en mensen kleuren met hun lach
het hemelgrijze blauw

kijk rond in kramen met je maten
en zoek kappers achter haar
vang eendjes in de vijver, luister
naar ’t geluid van honderd heupen
en ruik je buiken vol
we zijn weer terug naar heen vandaag

en zien
de Seine stroomt door Diest

stadsgedicht nr. 8
(tijdens Retro Jardin)


woensdag

de eersten op het plein zijn kramers
ze lokken luid, verkopen kaas en kuis
en Diest wordt opgewekt
we wandelen en handelen
of drinken kalmpjes koffie
in de schaduw van de kerk

wanneer de markt is opgeplooid
in dozen terug verpakt
staan auto’s brommend aan te schuiven
ze draaien, keren, nestelen
op plaatsen waar het mag
om shoppers uit te laten stappen
die zoeken naar gevulde zakken

als ’s avonds ramen zijn gesloten
staan de kroegen gapend open
en de gildes zitten klaar
zo dooft het uit, de dag, de stad
verlangt naar duisternis en vree
en vrijen in de nacht

stadsgedicht nr. 7


geschreven mens

beperkte mens
gemalen mens
gejaagde mens, kapotte mens
ondiepe, overhitte en gevlekte mens
gewone mens
gedeelde mens
gebruikte en gehuurde mens
dezelfde mens, geplaagde mens
en omgekeerd gedraaide mens
gij zure mens, oneindig mens
gij zo verdomd gewende mens
geroofde mens en rover mens
de kwijtste aller tijden mens
gij dunne mens
gij mens van hout
van houden
dag mens
onmens


halte

het is vijf na Diest en ik
ben trager dan getreuzel
u behoedt me voor mijn hoofd dat klopt en deugt
u verkocht de dieren van Warande
de tijger en het hert
en laat wezen in de bossen, uw tuin
dan kom ik toe, u blijft me stromen
u staat
tussen de heuvels en het slijk
en noemt uw lanen in het noorden
u krijgt er niets voor in de plaats

u verbaast
Diest, u verbaast
zelfs hen die alles zagen
zelfs hen die grootse leiders waren
niet zacht maar plotseling
met open wonden en een galg
u geeft niet toe, ik raak niet aan u uit
u eist gevangenen en dromers

ik vraag niet naar de zin
van uw bestaan, u niet naar die van mij
u maakt processies zonder schaamte
of films met naakte stervelingen
of chocolade

u zou zelfs uw rug naar Rome keren
want u bent beter af alleen
met mij, met ons, met dat wat ik probeer te vatten
en bij u houd ik halt

stadsgedicht nr. 6


Vluchten

De terminal is eindig, men kan aan de rand
gaan staan en naar niks kijken,
het grote niks, de lucht
Er wordt nergens meer gewacht
We komen aan, met bussen
en bewijzen wie we zijn, waar we naartoe gaan
anders zijn we beter niet
De bestemming is de hemel, uiteindelijk
Of proberen een glimp op te vangen van de piloot
En dan onszelf vastklemmen, luisteren naar het licht
De vermoeide zakenman niet meer
verwonderd over vliegen haalt slaap in
De vermoeide baby nog niet
verwonderd over vliegen haalt slaap uit
En we zitten en we zwijgen
Het is zo ontzettend koud buiten
maar geen nood, dit tuig
snijdt wolken kapot en volgt vurig de juiste procedures
We zijn veilig en krijgen gratis wat water en een glimlach
van de gladgestreken houders
die we graag mogen negeren.
Er wordt geen aardigheid verwacht, ze blijven luchtig verderrollen
Kom, land nu maar gewoon
We willen nog wat tijd
om na te denken over onze volgende vlucht
ons voortdurend gereis
en dat ons dat fataal genoegen schenkt


Cruydtcoeck

ik ben onkruid, nu gestorven
onvolgroeid in’t Diestse land
en verzameld in hun korven
door een kind aan oma’s hand

terwijl mijn bermenthuis verdwijnt
uit mijn groengevlekt gezicht
lig ik wakker, ingemijnd
bij mijn zussen, diep en dicht

maar mijn leven herbegint
met een bad, een waterdans
ik word geprezen en bemind
ik ben de mooiste bloemenkrans

en ze malen en ze roeren
meel en ei in pan geschept
om mijn lusten uit te voeren
volgens eeuwenoud recept

‘in de Lente pleeghtmen van
de teere bladerkens van dit Cruyt
soo het eerst uyt d’aerden kan
en noch mals is in de schuyt

met eyer’ Koeckskens maken
welckens meug seer aengenaem
ende lieflijck zullen smaecken
in de mont, zo seer beckwaem’

zo heet ik geen bermkruid meer
ik ben zachte scherpe koek
met magie, want ik verteer,
genees de maag van elke vloek

ik ben gemaakt om uit te delen
met traditie en cultuur
ik zoen de lippen van zovelen
en leid hen terug naar de natuur

stadsgedicht nr. 5
(bij de overdracht van de Confrerie van de Cruydtcoeck)


diest drie

duizend voeten breken stap voor stap
de straat, ze knarst en kraakt en barst
en ligt, ontvangt, gegrond en lang
te wachten op de nacht
ze leidt, vervoert je naar de Demer
en gaat dan terug de huizen in
om verhalen te vertellen
over Willem, Hendrik en hun paarden
of te luisteren naar een lied
van Liliane, Laïs en Guy

ze kent de pleinen en de parken
ook al komt ze er niet vaak
en op haar rug spelen de dochters
totdat er plotseling iets scheurt
en kapt en hakt en slaat
haar opengooit zonder genade
en in haar richels fluistert
dat de toekomst
weldra komt

stadsgedicht nr. 4


Zo hard zoemen dat het pijn doet

Het was dom van u. Niet schattig
of verliefd of romantisch.
Dom.
Hoort ge mij? Dom.
In ogen kijken, dat had ge bijvoorbeeld
niet mogen doen. Of volstromen
van hoop, nog zoiets. Echt beter niet.
Ge hebt gewacht, eerst, en daar
is op zich niks mis mee.
Wachten is hoogstens vervelend.
Maar dan konde ge
opeens niet meer, ge moest en zoudt.
Toen wist ik het eigenlijk al, maar ja.
Toen was het immers al te laat.
Voor u. Veel.
Ge zaagt er goed uit, nog. Nu niet
meer of toch niet zoals vroeger, speels
en weldoorvoed en redelijk
prachtig. Dus ergens begrijp ik het wel.
Maar ergens begrijp ik het wel niet.
Zo giechelen. Zo zuchten.
Zo hard zoemen dat het pijn doet.
Sorry hè, ik probeer ook maar gewoon.
En zeg niet dat ik u niet heb gewaarschuwd,
ik heb u zelfs nog doen wenen toen.
Keihard en vol ongeloof.
Maar ik had niet mogen zeggen dat ge het dan maar zelf moest weten.
Want natuurlijk was het geen
kwestie van weten, dat snap ik ook wel.
En nu zijt ge dood.
Ja, of toch zo’n beetje.
Ik mis u in alle geval.
En toch denk ik dat ge het opnieuw zoudt gedaan hebben.
Het was echt dom van u, ik kan er niet aan doen.
Dom, maar misschien wel goed,
als ge er zo gelukkig van waart.


Diefstal n° 4

laat hen maar ontdekken, ze zijn
jong genoeg, hun dagen gevuld met wildplukken
en verwondering
hun handen vol sociale gerechtigheid, ze hebben meningen
echte meningen, met gebaren en intonatie
over stakers, sjoemelsoftware
en de laatste nieuwe Disney, ze wandelen net voorbij twintig
rimpelloos en vol vertrouwen in familiebanken
waarom zouden ze zich zorgen maken
waarom zouden ze ooit nog een vraag stellen, ze hebben
de bibliotheek van de hele wereld in hun achterzak
dus digivaardig kijken ze naar katten
en hoe zij wel alles zullen veranderen
verbeteren
wat mij betreft
mogen ze
moeten ze


slaaf

geef me nog meer Griekse mythen
die ik kan drinken tot ik doodval
of steek naalden in mijn armen
en spoel sprookjes door mijn bloed

maak me high van Franse fabels
en duw sagen door mijn strot
mijn geluk, mijn roes, mijn vrede
laat me stikken, gooi me neer

legenden slik ik kwijlend door
en rook hoestende romans
pers een epos in mijn hersens
sluit me op in een verhaal

kras de runen in mijn armen
van een dier, een god, een mens
spuit me vol met metaforen
doe me snakken naar een vers

scheur mijn kleren met parabels
hijg verzinsels in mijn mond
vul met heilige geschriften
alle cellen van mijn lijf

help me zo mezelf vergeten
en verlies me in het vuur
toon me wegen naar Walhalla
ruk me weg uit dit moment


schermen

Begrijp je hen
de vliegers, springers, dromers

die koeien zien als vlekjes
op de zwaar verkrachte aarde
de daken plat en kruinen grijs
en alles staat in vakjes

die juichen als ze vallen
en treuren als ze staan

die stijgen, duiken, dalen, landen
om aan te komen waar wij al zijn
bij de mens, gemaakt
om te zweven op de grond

stadsgedicht nr. 3
(in Schaffen)


hij

ik blaas uit in de trage armen van
mijn vader, de kamer goud en
langzaam minder vol van vroeger
mijn zwaargeworden buikpijn krimpt
en mijn nek kraakt, ontspant, legt
mijn hoofd te rusten op de kade van zijn schouder
ik wil mijn harde ogen sluiten, de omvergelopen
wereld doen verdwijnen, niet voor even maar altijd
en ik zak weg,
los, spierloos, hartloos, zonder tanden
die knarsen van het eindeloos gezever
ik voel zijn dragende longen, duwen en neer
zijn grote handen hebben alle tijd
mijn willen wordt niks en het koude lawaai
wordt noot na noot stiller en stilte
en samen worden we eindelijk ouder


beest

er dringt niks tot me door
geen woord, geen tijd, geen zwaard
ik ben mijn harde schil geworden
en blaas mijn hete adem in je nek

wanneer ik honger heb
biedt elke wei en elke stad
mij vlees, verschroeid
ik proef alleen maar as

tot op een dag mijn vleugels
de wolken niet meer raken
en ik blijf liggen op mijn goud, mijn schat
mijn vloek – ik heb niks
op deze wereld
om het aan uit te geven


Diefstal nº 3

hou vol
hou alles vol
met stenen in je rug
en schilfers in je hoofd
dit is een stip, een streep, een stip
je leeft er door, je kent intussen
de ondergaande zon
hou uit, hou vast en hou niet in
en wandel naast het pad
je komt niet daar maar ergens wel
en schraapt de woorden uit je boek
van vluchten en van einde
totdat je zelf je spiegel maakt
en zucht tot zuchten adem wordt
en kijkt en zwijgt en vindt
en voel
hou van


Diefstal nº2

we staan gewoon we doen niks
kon dat maar
je zegt dat je genoeg hebt van iets maar ik begrijp niet goed van wat
of ik luister niet graag naar je dat kan ook
je woorden die van mij vertrokken vinden steeds vaker hun eigen leegte
net als de straat waarin we kijken naar de gordijnen en de deuren
en er moet iets gebeuren
en er moet snel iets gebeuren
en je staart je staat je staart je staat je staat
ha!
ik wist wel dat je ons niet kon bevrijden
laat mij maar ik doe het wel
ja? ja alweer
opgepast het is hier glad
dus als je eindelijk niet meer staat en staart en gaat en straat
let op dat je niet valt


Diefstal nº1

Zwijg, verdrink je denken
Sluit je zwervende ogen
En adem niet
Te luid
Hij komt, de grauwe mist van gisteren
Hij ruikt aan je hand en zet je radio af
Je ligt ontspannen neer
Maar je rug is gloeiend heet
Je wil niet mee
Je wil blijven schilderen of kreunen of maakt niet uit
Je citeert films die iedereen kent
Het zachte grommen leidt je af
En draait je om
Steeds weer
Je pupillen vergroten verkleinen vergroten
Dus je klikt de lamp uit
Hij maakt de riem om je middel los
Maar je merkt het niet
Je zeurt een beetje zonder te weten waarom
De meeste boeken die je leest zijn rotzooi
Zwijg, het heeft geen zin meer
En niemand wil het horen


diest twee

ik bewoon de hoogste toren
ik spring gezwind van dak naar boom
ik ben mijn hoofd zo graag verloren
in deze stad waarin ik droom

ik zie mezelf door bossen lopen
beklim kastelen in de lucht
ik verzamel goud met hopen
in deze stad waarin ik zucht

ik blijf wachten, starend slapen
vol bewusteloos geschrijf
met mijn verbeelding als een wapen
voor deze stad waarin ik blijf

stadsgedicht nr. 2


breek maar

schreeuw, verdorie, schreeuw
heel je pijn in mijn gezicht
hang me op met al je handen
laat geen splinter van me heel
breek me af, hak op me in
stort me wild in al je putten
krab maar doe maar bijt maar door
vecht, verdomme, stamp me harder
beuk en boks en ram en dood
als dat je
maar troost


diest één

ik vond je aan
stenen straten
aan gebouwen die gehuisd
voltooid deelwoord zijn van vroeger

je zit er voor je
uit te kijken
in de stoel van het verleden
met je handen groen geplooid
aan een stad, je bestaat
in de mensen nog veel meer

en zwijgen doe je nooit
bij jou is het fluisteren of

fluisteren of lachen

stadsgedicht nr. 1
(bij mijn aanstelling)


daver

Al lang niet meer vliegend
zo geknipt van baan naar baan
de neuzen recht
en armen in bochten gewrongen terwijl
nachten nachten volgen
zo wakend als de gescheurde broek
van de dame tegenover; ze leest
alleen over zonde en verzieking
en naast haar trilt een zak
een rode, een nieuwe.
Er is geen wijn, geen zegen
en geen verstild beminnen
enkel kei
en keihard wachten.


ontbijt

je woorden raken me maar
ik blijf onzichtbaar zitten geen
geen ochtend brengt ons bij elkaar
en aan de keukentafel ben
jij in jouw land ik het mijne
te ver gereisd, alweer
elk voor zich ik
stamel iets terug
iets zinloos woordloos
klanken van de nacht
je zucht
honderd zuchten per minuut
tussen al je woorden heen
ik drink om aan iets anders te
denken maar ik denk alleen aan thee


dat je rusten zou, vertelde je

dat je rusten zou, vertelde je
want dat had je nauwelijks gedaan
dat kon je niet, dat had
je gewoon niet in je

dat je ergens anders ging, naar
God en weg van niet meer weten
naar niet meer voelen
niet meer wachten

dat je waken zou, beloofde je
over elk van ons, je zou
ons nooit verlaten
nooit helemaal
niet ons


in mijn armen weeg je

in mijn armen weeg je
even weinig als gefluister
ik draag je, je draagt me
over aarde en hemel heen dus
vergeef me, ik vergeef je en
geef je over
aan hierna
tot hierna
tot hierna


op het drukbevolkte plein

op het drukbevolkte plein
waar de mensen massa zijn
sta ik stil, ik heb geen doel
ik observeer, ik leer, ik voel

ik kijk doorheen alle verhalen
die ik niet ken, me doen verdwalen
en als straks de bom ontploft
en elke glimlach wordt verstoft

dan word ik niets en blijf altijd
in nooit vergeten eeuwigheid


jij de liefste en de mooiste

jij de liefste en de mooiste
de vrolijkste en dus ontdooiste
jij de zoenste en de zachtste
de geduldigst en de wachtste

jij ondeugend vat vol zon
zo zwevend als een luchtballon
zo open, zo vol energie
zo alles waarom ik je graag zie


mijn pen schrijft zelf de zinnen

mijn pen schrijft zelf de zinnen
die mijn hoofd verbergt vanbinnen
en mijn hand weet meer te zeggen
dan mijn mond zoekt uit te leggen

mijn vingers kennen dingen
die mijn lippen zelden zingen
mijn papier verdraagt geheimen
verstopt de waarheid in mijn rijmen


ik denk niet dat hij nog rustte

ik denk niet dat hij nog rustte
vanaf de achtste dag
hij lijkt me niet zo’n uitgebluste
of één met zelfbeklag

ik denk dat hij toen doodgewoon
incognito werd geroemd
door de ene werd hij zoon
en door de andere, toeval genoemd


haar lippen trillen even

haar lippen trillen even
nadat net haar vingers schreven
in een brief zo zwart als pek
vol met woorden van vertrek

in haar hoofd ziet ze een man
ze schreef afscheid en verban
in haar hoofd komt hij nabij
ze schreef pijn en ze schreef jij

in haar hart voelt ze zijn stem
ze schreef liefde slechts voor hem
in haar hart zoekt ze zijn ziel
ze schreef hoe angst haar overviel

en haar tranen drogen op
voor zichzelf zegt ze luidop
dat het zo het beste is
maar binnenin
klinkt stil wat
als ik me
vergis


prinses, ik roep je zonder eind

prinses, ik roep je zonder eind
vol hoop dat onrust dan verdwijnt
ik vecht voor ’t winnen van je hart
je hoofd, je vrees, je lach, je smart
ik strijd en dood de monsters die
ik in je oog mijn spiegel zie
en lust je lijf dat ik zo mis
dat naakt zo smaakt als honing is
schreeuw terug, gil uit of kreun me toe
en toon me zo dat wat ik doe
je raakt, bevrijdt, je ziel beroert
me dichter tot je toren voert


ik koop de kunsten van je ogen

ik koop de kunsten van je ogen
de zachte lijnen van je lach
je kleur, je vormen en je bogen
details die ik eerst nog niet zag

ik neem je kader in mijn armen
en zoek de woorden in je mond
ik schat je in, wil je verwarmen
en draai je rond en rond en rond

ik steel je doek en scheur je kleren
ik streel je naakte zelfportret
ik wil je eeuwen bestuderen
ik maak je vast boven mijn bed


de zon die loerde me naar buiten

de zon die loerde me naar buiten
deed me stralend liedjes fluiten
scheen heel zacht voor me te zijn
verwarmde me, verjoeg de pijn
deed me blozen, rood als vuur
stond aan mijn zijde, ieder uur
was haast te veel, verstikte mij
drong in mij, mijn hart dicht nabij
verbrandde mij, ik was haar oogst
ze kwelde, zij stond allerhoogst
ik was niet meer, bedrogen wonde
dan zon, de zon, de zon, de zonde


de ochtend trok van deur tot deur

de ochtend trok van deur tot deur
en mensen snoven bloemengeur
en dronken dauw, zo zalig zoet
na ’t horen van des ochtends groet
en aten goud en lachten blij
want lang de nacht – maar nu voorbij
en dankten ’s hemel voor de dag
die nieuw voor hunnen dorpel lag


Het bad

Het roekeloze zoeken
naar het monster in de mist
Het eindeloze wachten
omdat ik geen antwoord wist

Het beetje melk met honing
het brullen in de kast
wie braaf is zal het horen
wie liefheeft draagt een last

Zwart en wit pianotoetsen
een speelse dwarse fluit
muziek, een mensenzegen
en God, die lacht eens luid


honderdduizend stipjes

honderdduizend stipjes
op een hagelwit papier
vormen samen letters
je leest ze nu en hier

honderdduizend dromen
die ik nog heb met jou
je vraagt hen te vervagen
je veegt ze met je mouw

honderdduizend woorden
wil ik je nog vertellen
maar in de plaats daarvan
blijf ik de stipjes tellen


Stil vertrek

Stil vertrek
op koperglanzend spoor
dof gras
door donker glas
en ruw zetelkleed

Bomen vagen voorbij
vlagen groen en bruin
en dan, met een schok
stap ik uit


Liefde is blind

Liefde is blind
zei ze en
kuste naast zijn lippen
misselijk
van de vlinders in haar buik

Hij lachte schater
begroef toen zijn gezicht
in haar rode jurk
levend
het spartelde niet tegen

Maar wanneer de zomer kwam
die voor een keer niet zonnig was
verwelkten de bloemen
vergingen de schepen
in kunnen we vrienden blijven

En hoewel ze
de wereld aan konden
dàt
konden ze niet


het is stil

het is stil
we zitten naast elkaar
dicht naast elkaar
en het enige wat we horen
wat we voelen
is de melodie van onze hartenklop
en laat nu net die melodie
me het liefst in de oren klinken


laat me juichen

laat me juichen
laat me blij zijn
laat me lachen
laat me zingen

laat me huilen
laat me treuren
laat me lijden
laat me snikken

maar
laat me niet alleen


samen met mijn zetel woon ik diep in mijn salon

samen met mijn zetel woon ik diep in mijn salon
we kijken naar de regen en we denken aan de zon
en als we moe van zitten en gezeten worden worden
schikken w’onze hemdenknoopjes en flanellenborden
we willen immers netjes en verzorgd in onze dromen
wachten op de vreugde die dra met haar mee zal komen


hij werd beneden en beklaagd

hij werd beneden en beklaagd
maar bovenal gevraagd
zich
aan te passen naar hun zin
wat hij deed, doch niettemin
bleef er ergens, diep in hem
een eerlijke doch zwarte stem
die zei al wat je nu beleeft
is niet van jou, je wordt geleefd


wandel op de sterren, kind

wandel op de sterren, kind
kruip klein en stil tussen de wind
omhels de maan, begroet de nacht
die zo lang op jouw zoenen wacht
en daar de droom en hier de gaap
je vingers fluisteren van slaap
streel elke zin en elk woord
en drijf op warme wolken voort
totdat je ziet het zwarte licht
het duister toont haar lief gezicht
verwelkom nu haar bleke wang
en adem in haar zacht gezang
zodat de nacht wordt tot geluid
het laatste voor je lichaam sluit


fraai

fraai
duizend pootjes zetten stappen
duizend handjes willen klappen
duizend mondjes maken grappen
(wat een lawaai)

maar
één gezichtje kijkt naar boven
één gezichtje wil geloven
één gezichtje denkt
(wat raar)

(wat mooi)
(hoe ik)
(ontdooi)


ik spring ik lach ik dank u wel

ik spring ik lach ik dank u wel
ik val ik bid ik huil te snel
ik roep ik schreeuw ik aarzel niet
ik twijfel maar ik zing een lied
ik denk ik hoop ik heb geliefd
ik zwijg ik zoen ik als ’t u blieft


ik wil je fijnen want je mooit

ik wil je fijnen want je mooit
en ook nimmer ofte nooit
wil ik scheiden van je af
om het zacht dat je me gaf
en je zetelt en je bedt
en je hebt m’n leef gered
en je zilvert en je goudt
en je hebt m’n schat gebout
en je eent ons twee tot drie
je bent al ik poëzie


mijn ogen vallen dicht maar

mijn ogen vallen dicht maar
licht stoort moordend het verlangen
zoetstil in slaap en zonder
mededogen zonder goed te zijn
alwaar de hand van dag in nacht
getallen uit mijn hoofd wil laten
en gezangen want
het ziet het schaap een wonder watten
– kom zacht de droom de och de ach –
mijn praten niet geloofd en toch
ben ik te loom te luid te min
te moe om hoe een slaap te vatten


tonguitsteker

 tonguitsteker
hartenbreker
luide harlekijn
zo onzeker
huidverbleker
wil het niet meer zijn

stamelaar
tovenaar
woordeloze schijnbarbaar
handenbrander
binnenlander
tijd
dat ik verander


de stoel die slaapt

de zetel slaapt
de kachel gaapt
het huis wil dromen
maar stiekem komen
vork en mes tesaam
onder een ronkend keukenraam
en dansen daar
voor elkaar
een passioneel getik
en werpen soms een blik
en terwijl de maan
heel zelfvoldaan
haar magie bekijkt
haar volste glans bereikt
buigt de vork zich naar zijn mes
en raakt zacht haar tandje zes
zijn ogen prikken
zij moet slikken
en ze vraagt
heel gewaagd
of hij met haar
misschien
eens wil gaan eten


ik hou van je vanbinnen

ik hou van je vanbinnen
van de punten in je zinnen
van je schaamteloze wangen
van je onderbuikverlangen
van je lachen en je klagen
van je eindeloze plagen
van de stipjes op je kin
en van hoe ik je bemin
en van hoe je weegt zo licht
van je hand op mijn gezicht
en van hoe je steeds wilt winnen
ik hou van je vanbinnen


ik babbel met de blaadjes die

ik babbel met de blaadjes die
er vallen uit de boom
ze weten niet waarom of wie
hen wekt uit diepe droom
ze treuren noch filosoferen want
ze liggen naar hun lot
geplukt gestorven door de hand
van onhoorbare God
hun kleuren maken nieuw tapijt
hun ziel een beetje leven
en in hun vlucht is er geen spijt
zichzelf tot dood te geven
ik babbel met de blaadjes die
me zeggen wat ik voel
ik rust en op hun aarde zie
ik stil hun slapend doel


Mijn droge lippen moeten zwijgen

Mijn droge lippen moeten zwijgen
want mijn dode harte heeft verdriet
het treurt om liefde en z’n eigen
want genezen doet het niet.

En waar ooit een lied ontstond
van die lippen – nu woestijn –
zwijgt het zacht uit volle mond,
bidt een traan zonder refrein.

En de twee die ooit zo bloosden
als z’ ontvingen zoete zoen
telkens ze bij jou verpoosden
zijn nu bleek en uit hun doen.

Mijn lippen blijven vast gesloten
zolang niet die ochtend komt
dat een ander paar zo onverdroten
met een kus hen onverstomt.


en vallen zacht mijn ogen toe

en vallen zacht mijn ogen toe
dan droom ik niet meer wat ik doe
dan weet ik geen vooruit of eind
dan sterf ik weer al levend zijnd
dan slaap ik stil en binnenin
dan dwaal ik droef en zonder zin
dan is mezelf niet meer bewust
dan snap ik ook niet dat ik rust
dan blijven vast mijn ogen toe
dan gaapt mijn binnenleven moe


als je zo de ene keer

als je zo de ene keer
en dan plots zus alweer
als je enerzijds hetgeen
en anderzijds maar neen
als je me verwart en blij
en zegt mij bent van jij
als je me verlaat en wat
en pijn en hoop zodat
als je praat met soms en zouden
soms zou ik van je houden
als dat alles en zo vaak
als ik traan en lach en raak
dan denk ik duizend keer
niks meer


muziek roept beelden in mijn oor

muziek roept beelden in mijn oor
dus merk ik niet dat ik hem stoor
de oude man met boze blik
– in het park slechts hij en ik –
die naast me op het bankje zit
onze haren donkerwit
terwijl de zomer ons bevalt
een drummer in mijn oren knalt
en hij zijn handen vouwt
en om vergeten jaren rouwt
toen muziek niet in doosjes bestond
toen hadden mensen nog een mond


wij waren helden in ons hoofd

wij waren helden in ons hoofd
ridders, prinsen, superman
nu zijn de beelden uitgedoofd
en dromen we, ach nergens van

we streden en we vochten toen
gelovend in geluk
nu slapen we en lachen groen
we maken ons niet druk

we waren helden in ons hart
met idealen van weleer
nu rest realiteit en smart
en oud gestorven zeer


geef maar toe dat ik je schaam

geef maar toe dat ik je schaam
je rode hoofd als’k noem je naam
je huis, je tuin, je vriendengroep
mijn lepel in je groene soep
mijn flauwe grap, je stille blik
je schaduw kruipt onder mijn ik
je stoot niet af, je wacht niet op
je ogen die mij roepen stop
mijn hand die ook je lichaam is
mijn mond je lip als’k je vergis
je vraagt mij af waarom je leeft
waarom je ook nog om mij geeft


hoewel je ooit

hoewel je ooit
toen ik je vroeg
zei dat het nooit
teveel, genoeg
zou zijn
voel ik nu plots
een pijn
als ik weer bots
tegen je muur
waar ik toen
vond vuur
en zoen

 


Lancelot

duizend dreunen in mijn geest
verborgen zoen die niemand leest
kruisen dragen, lijden vragen
gelukkig maar één dag geweest

waterloop of vurengloed
in lucht verstikt mijn stem voorgoed
vergoten traan, gebroken maan
de aarde die haar kind ontmoet

in dood is al wat leeft gelijk
verdacht verstild buiten bereik
vergeten pijn, gelach verdwijn
een overwinning voor het hemelrijk

en ik de nar die elk verblijdt
zich van de geselkap bevrijdt
de tijd staat stil, verdoofd mijn wil
mijn einde nu en voor altijd


uit het zachtste van haar mond

uit het zachtste van haar mond
een zoen, die’k nauwelijks verstond
een kus, zo stil als ademloos
zo licht, zo nauwelijks, zo broos
zo helemaal van haar en toch weer niet
zo belofte, schuld en klein verdriet
zo laatst, zo snel ook weer voorbij
alsof ze zoenend afscheid zei