natuur


de dame en de heer

de dame en de heer zij ontmoeten elkaar
op het plein nabij de holle griet
de dame is niet groot en de heer is niet beroemd
zij zagen elkaar in het echt nog nooit
de heer is blij dat de dame een dame is
de dame is vrij van verwachten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij stappen openbaar
voorbij de bibliotheek van steen en papier
de dame is nieuw in deze stad en de heer oud
zij voelen de warmte van de zon
de heer probeert te praten over werken
de dame denkt aan eten
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij kijken naar
de vogels in het bekken van het moeras
de dame is verrast door de bloemen en de heer ook
zij gaan zitten op de bank
de heer vraagt of hij haar mag zoenen
de dame vraagt niks terug
want dat deed ze vroeger al te vaak

de dame en de heer zij zijn klaar
met het zoeken naar een halve maan
de dame is rustiger dan ooit en de heer nerveus
zij zullen deze dagen niet vergeten
de heer bedankt haar voor de tijd
de dame wil niet alleen sterven
want dat deed ze vroeger al te vaak

stadsgedicht nr. 15


kort

Veel meer dan naar de felle kleuren naar verpakkingen
vol lucht
verlangt mijn hand de grond de aarde
zoekt mijn mond
haar pure smaak

Ik vind het licht in zwarte bodems van het veld
het gras de boom
vertel me waar de vruchten waken
hun zoetheid kruipt de groente bloeit
waar kruid begint waar sap beweegt en
waar
het kalf wil grazen

een Schepper ziet zijn ziel wanneer hij naar
beneden kijkt naar
akkers kijkt de boer schudt hoffelijk mijn schouder
twee meisjes plukken wat ze
schenken lachen lonkend en gezond
Ik weet van waar ik kom ik eet
wat leeft en sterft en wederkeert

in de ketens van mijn stad
Er zijn
verborgen deugden omgespit
geheimen stralend naakt gelegd en regens
gul gebruikt en ieder
woord
gevoed

stadsgedicht nr. 11
(Diest is om op te eten)


regen

het water valt, verfrist gezicht
kroezelt kruinen, zachter dan gewas
ik kom toe waar zij blijft staan
ze ruikt naar wortelen en haren
en gewoel onder de lakens

‘onderweg?’ vraagt ze en doet
alsof mijn antwoord niet bestaat
ik kijk naar boven, naar het nat
dat de hemel in mijn ogen valt

en sluit
het stil gemopper van de wandelaars
het plassen van de straat
de druppels op mijn handen
de buien in haar hoofd
er is geen leven
zonder


diest één

ik vond je aan
stenen straten
aan gebouwen die gehuisd
voltooid deelwoord zijn van vroeger

je zit er voor je
uit te kijken
in de stoel van het verleden
met je handen groen geplooid
aan een stad, je bestaat
in de mensen nog veel meer

en zwijgen doe je nooit
bij jou is het fluisteren of

fluisteren of lachen

stadsgedicht nr. 1
(bij mijn aanstelling)