poëzie


ruïne

niet de toren die verbrokkelt
onder jarenlang verdriet
maar een bloem die nog gesloten
wacht op lente en haar lied

niet het stormen van gedachten
tot het pijn doet in je hoofd
maar een lange stille regen
die ooit groei en bloei belooft

laat me jou daarin wat troosten
meer dan zitten en nabij
laat mijn armen je ontmoeten
laat je tranen vrij bij mij

wij zijn bloemen, wij zijn regen
samen wachtend op nadien
ik wil bij je kunnen zwijgen
en je eerste lach terugzien


vooruit

geen tocht van gouden waters of
een queeste naar de graal
geen rijkdom, schatten, draken
in dit epische verhaal

wel hun zorgend zachte handen
harten in zonder geluid
het zijn tranen in het duister
maar in het licht
steeds weer vooruit


gij moet

gij moet een auto hebben auto auto
gij hebt geen auto
gij alternatieveling
gij linkse rat, gij profiteur

gij moet drinken drinken alcohol drinken
gij drinkt geen druppel
gij uitzondering
gij arrogante sfeerbederver

gij moet een kind hebben kind kind kind
gij hebt geen kind
gij afwijking
gij egoïst, gij onvolmaakte

gij abnormale
marginale
extremist


weg

je schrapt me
weigert litteken te zijn
in plaats daarvan voel ik je weg
in elke kleine wonde

dus dwaal ik zonder ogen
peuzelend en schrokkend van je nacht
met elk fragment van je scherven
geklemd tussen mijn vingers

niks is zo zeker, zo stabiel
als jouw geschenk van twijfel
je bent
je bent
permanent


Juno

je begint
als wit papier dat
onbeschrijflijk vers
volmaakt en vol van zin
verlangt naar een verhaal

je leeft zo nieuw zo nu
zo welkom in de wereld, je bent
muziek die nog ontbrak
je naam het juiste woord
en niemand kan
zoveel als jij