slechterik


gij moet

gij moet een auto hebben auto auto
gij hebt geen auto
gij alternatieveling
gij linkse rat, gij profiteur

gij moet drinken drinken alcohol drinken
gij drinkt geen druppel
gij uitzondering
gij arrogante sfeerbederver

gij moet een kind hebben kind kind kind
gij hebt geen kind
gij afwijking
gij egoïst, gij onvolmaakte

gij abnormale
marginale
extremist


Zo hard zoemen dat het pijn doet

Het was dom van u. Niet schattig
of verliefd of romantisch.
Dom.
Hoort ge mij? Dom.
In ogen kijken, dat had ge bijvoorbeeld
niet mogen doen. Of volstromen
van hoop, nog zoiets. Echt beter niet.
Ge hebt gewacht, eerst, en daar
is op zich niks mis mee.
Wachten is hoogstens vervelend.
Maar dan konde ge
opeens niet meer, ge moest en zoudt.
Toen wist ik het eigenlijk al, maar ja.
Toen was het immers al te laat.
Voor u. Veel.
Ge zaagt er goed uit, nog. Nu niet
meer of toch niet zoals vroeger, speels
en weldoorvoed en redelijk
prachtig. Dus ergens begrijp ik het wel.
Maar ergens begrijp ik het wel niet.
Zo giechelen. Zo zuchten.
Zo hard zoemen dat het pijn doet.
Sorry hè, ik probeer ook maar gewoon.
En zeg niet dat ik u niet heb gewaarschuwd,
ik heb u zelfs nog doen wenen toen.
Keihard en vol ongeloof.
Maar ik had niet mogen zeggen dat ge het dan maar zelf moest weten.
Want natuurlijk was het geen
kwestie van weten, dat snap ik ook wel.
En nu zijt ge dood.
Ja, of toch zo’n beetje.
Ik mis u in alle geval.
En toch denk ik dat ge het opnieuw zoudt gedaan hebben.
Het was echt dom van u, ik kan er niet aan doen.
Dom, maar misschien wel goed,
als ge er zo gelukkig van waart.


beest 1

er dringt niks tot me door
geen woord, geen tijd, geen zwaard
ik ben mijn harde schil geworden
en blaas mijn hete adem in je nek

wanneer ik honger heb
biedt elke wei en elke stad
mij vlees, verschroeid
ik proef alleen maar as

tot op een dag mijn vleugels
de wolken niet meer raken
en ik blijf liggen op mijn goud, mijn schat
mijn vloek – ik heb niks
op deze wereld
om het aan uit te geven


breek maar

schreeuw, verdorie, schreeuw
heel je pijn in mijn gezicht
hang me op met al je handen
laat geen splinter van me heel
breek me af, hak op me in
stort me wild in al je putten
krab maar doe maar bijt maar door
vecht, verdomme, stamp me harder
beuk en boks en ram en dood
als dat je
maar troost


op het drukbevolkte plein

op het drukbevolkte plein
waar de mensen massa zijn
sta ik stil, ik heb geen doel
ik observeer, ik leer, ik voel

ik kijk doorheen alle verhalen
die ik niet ken, me doen verdwalen
en als straks de bom ontploft
en elke glimlach wordt verstoft

dan word ik niets en blijf altijd
in nooit vergeten eeuwigheid


haar lippen trillen even

haar lippen trillen even
nadat net haar vingers schreven
in een brief zo zwart als pek
vol met woorden van vertrek

in haar hoofd ziet ze een man
ze schreef afscheid en verban
in haar hoofd komt hij nabij
ze schreef pijn en ze schreef jij

in haar hart voelt ze zijn stem
ze schreef liefde slechts voor hem
in haar hart zoekt ze zijn ziel
ze schreef hoe angst haar overviel

en haar tranen drogen op
voor zichzelf zegt ze luidop
dat het zo het beste is
maar binnenin
klinkt stil wat
als ik me
vergis


de zon die loerde me naar buiten

de zon die loerde me naar buiten
deed me stralend liedjes fluiten
scheen heel zacht voor me te zijn
verwarmde me, verjoeg de pijn
deed me blozen, rood als vuur
stond aan mijn zijde, ieder uur
was haast te veel, verstikte mij
drong in mij, mijn hart dicht nabij
verbrandde mij, ik was haar oogst
ze kwelde, zij stond allerhoogst
ik was niet meer, bedrogen wonde
dan zon, de zon, de zon, de zonde


als je zo de ene keer

als je zo de ene keer
en dan plots zus alweer
als je enerzijds hetgeen
en anderzijds maar neen
als je me verwart en blij
en zegt mij bent van jij
als je me verlaat en wat
en pijn en hoop zodat
als je praat met soms en zouden
soms zou ik van je houden
als dat alles en zo vaak
als ik traan en lach en raak
dan denk ik duizend keer
niks meer


geef maar toe dat ik je schaam

geef maar toe dat ik je schaam
je rode hoofd als’k noem je naam
je huis, je tuin, je vriendengroep
mijn lepel in je groene soep
mijn flauwe grap, je stille blik
je schaduw kruipt onder mijn ik
je stoot niet af, je wacht niet op
je ogen die mij roepen stop
mijn hand die ook je lichaam is
mijn mond je lip als’k je vergis
je vraagt mij af waarom je leeft
waarom je ook nog om mij geeft