verdriet


ruïne

niet de toren die verbrokkelt
onder jarenlang verdriet
maar een bloem die nog gesloten
wacht op lente en haar lied

niet het stormen van gedachten
tot het pijn doet in je hoofd
maar een lange stille regen
die ooit groei en bloei belooft

laat me jou daarin wat troosten
meer dan zitten en nabij
laat mijn armen je ontmoeten
laat je tranen vrij bij mij

wij zijn bloemen, wij zijn regen
samen wachtend op nadien
ik wil bij je kunnen zwijgen
en je eerste lach terugzien


weg

je schrapt me
weigert litteken te zijn
in plaats daarvan voel ik je weg
in elke kleine wonde

dus dwaal ik zonder ogen
peuzelend en schrokkend van je nacht
met elk fragment van je scherven
geklemd tussen mijn vingers

niks is zo zeker, zo stabiel
als jouw geschenk van twijfel
je bent
je bent
permanent


onuitgesproken

ik vertoef in mijn zelfgemaakte kamer. de muren
worden grijs van schimmel en herinneringen. mijn
kruisboog staat gespannen, ook al ben ik het doden
niet van plan. ach, hoe veracht ik toch mijn
medemens, met zijn bloemen en violen en geduldige
onwetendheid. jij ligt verdoofd naast me. het
lachende wantrouwen is opgerold in je schoot,
je maakt geen plaats voor actualiteiten of
zachtmoedigheid. daarom wil ik je niet wekken. of
de keuze maken tussen Dafalgan en de pijn van
middelmatigheid. maar dan word je alsnog wakker
om mijn kamer weer wat kleiner te maken en met
je zwijgen aan mijn rechtszaak te beginnen. bij ons
wordt er geen geloof gehecht aan de algemeenheden
die we verkondigen. ik faal in mijn metrum. en
wanneer de nacht de dag opdoekt, ontmantel ik je
zinnen en tel ik de cijfers tot mijn tijdelijke einde.


Zo hard zoemen dat het pijn doet

Het was dom van u. Niet schattig
of verliefd of romantisch.
Dom.
Hoort ge mij? Dom.
In ogen kijken, dat had ge bijvoorbeeld
niet mogen doen. Of volstromen
van hoop, nog zoiets. Echt beter niet.
Ge hebt gewacht, eerst, en daar
is op zich niks mis mee.
Wachten is hoogstens vervelend.
Maar dan konde ge
opeens niet meer, ge moest en zoudt.
Toen wist ik het eigenlijk al, maar ja.
Toen was het immers al te laat.
Voor u. Veel.
Ge zaagt er goed uit, nog. Nu niet
meer of toch niet zoals vroeger, speels
en weldoorvoed en redelijk
prachtig. Dus ergens begrijp ik het wel.
Maar ergens begrijp ik het wel niet.
Zo giechelen. Zo zuchten.
Zo hard zoemen dat het pijn doet.
Sorry hè, ik probeer ook maar gewoon.
En zeg niet dat ik u niet heb gewaarschuwd,
ik heb u zelfs nog doen wenen toen.
Keihard en vol ongeloof.
Maar ik had niet mogen zeggen dat ge het dan maar zelf moest weten.
Want natuurlijk was het geen
kwestie van weten, dat snap ik ook wel.
En nu zijt ge dood.
Ja, of toch zo’n beetje.
Ik mis u in alle geval.
En toch denk ik dat ge het opnieuw zoudt gedaan hebben.
Het was echt dom van u, ik kan er niet aan doen.
Dom, maar misschien wel goed,
als ge er zo gelukkig van waart.


breek maar

schreeuw, verdorie, schreeuw
heel je pijn in mijn gezicht
hang me op met al je handen
laat geen splinter van me heel
breek me af, hak op me in
stort me wild in al je putten
krab maar doe maar bijt maar door
vecht, verdomme, stamp me harder
beuk en boks en ram en dood
als dat je
maar troost


daver

Al lang niet meer vliegend
zo geknipt van baan naar baan
de neuzen recht
en armen in bochten gewrongen terwijl
nachten nachten volgen
zo wakend als de gescheurde broek
van de dame tegenover; ze leest
alleen over zonde en verzieking
en naast haar trilt een zak
een rode, een nieuwe.
Er is geen wijn, geen zegen
en geen verstild beminnen
enkel kei
en keihard wachten.


ontbijt

je woorden raken me maar
ik blijf onzichtbaar zitten geen
geen ochtend brengt ons bij elkaar
en aan de keukentafel ben
jij in jouw land ik het mijne
te ver gereisd, alweer
elk voor zich ik
stamel iets terug
iets zinloos woordloos
klanken van de nacht
je zucht
honderd zuchten per minuut
tussen al je woorden heen
ik drink om aan iets anders te
denken maar ik denk alleen aan thee


haar lippen trillen even

haar lippen trillen even
nadat net haar vingers schreven
in een brief zo zwart als pek
vol met woorden van vertrek

in haar hoofd ziet ze een man
ze schreef afscheid en verban
in haar hoofd komt hij nabij
ze schreef pijn en ze schreef jij

in haar hart voelt ze zijn stem
ze schreef liefde slechts voor hem
in haar hart zoekt ze zijn ziel
ze schreef hoe angst haar overviel

en haar tranen drogen op
voor zichzelf zegt ze luidop
dat het zo het beste is
maar binnenin
klinkt stil wat
als ik me
vergis


honderdduizend stipjes

honderdduizend stipjes
op een hagelwit papier
vormen samen letters
je leest ze nu en hier

honderdduizend dromen
die ik nog heb met jou
je vraagt hen te vervagen
je veegt ze met je mouw

honderdduizend woorden
wil ik je nog vertellen
maar in de plaats daarvan
blijf ik de stipjes tellen


tonguitsteker

 tonguitsteker
hartenbreker
luide harlekijn
zo onzeker
huidverbleker
wil het niet meer zijn

stamelaar
tovenaar
woordeloze schijnbarbaar
handenbrander
binnenlander
tijd
dat ik verander


Mijn droge lippen moeten zwijgen

Mijn droge lippen moeten zwijgen
want mijn dode harte heeft verdriet
het treurt om liefde en z’n eigen
want genezen doet het niet.

En waar ooit een lied ontstond
van die lippen – nu woestijn –
zwijgt het zacht uit volle mond,
bidt een traan zonder refrein.

En de twee die ooit zo bloosden
als z’ ontvingen zoete zoen
telkens ze bij jou verpoosden
zijn nu bleek en uit hun doen.

Mijn lippen blijven vast gesloten
zolang niet die ochtend komt
dat een ander paar zo onverdroten
met een kus hen onverstomt.


wij waren helden in ons hoofd

wij waren helden in ons hoofd
ridders, prinsen, superman
nu zijn de beelden uitgedoofd
en dromen we, ach nergens van

we streden en we vochten toen
gelovend in geluk
nu slapen we en lachen groen
we maken ons niet druk

we waren helden in ons hart
met idealen van weleer
nu rest realiteit en smart
en oud gestorven zeer