verdriet


daver

Al lang niet meer vliegend
zo geknipt van baan naar baan
de neuzen recht
en armen in bochten gewrongen terwijl
nachten nachten volgen
zo wakend als de gescheurde broek
van de dame tegenover; ze leest
alleen over zonde en verzieking
en naast haar trilt een zak
een rode, een nieuwe.
Er is geen wijn, geen zegen
en geen verstild beminnen
enkel kei
en keihard wachten.


ontbijt

je woorden raken me maar
ik blijf onzichtbaar zitten geen
geen ochtend brengt ons bij elkaar
en aan de keukentafel ben
jij in jouw land ik het mijne
te ver gereisd, alweer
elk voor zich ik
stamel iets terug
iets zinloos woordloos
klanken van de nacht
je zucht
honderd zuchten per minuut
tussen al je woorden heen
ik drink om aan iets anders te
denken maar ik denk alleen aan thee


haar lippen trillen even

haar lippen trillen even
nadat net haar vingers schreven
in een brief zo zwart als pek
vol met woorden van vertrek

in haar hoofd ziet ze een man
ze schreef afscheid en verban
in haar hoofd komt hij nabij
ze schreef pijn en ze schreef jij

in haar hart voelt ze zijn stem
ze schreef liefde slechts voor hem
in haar hart zoekt ze zijn ziel
ze schreef hoe angst haar overviel

en haar tranen drogen op
voor zichzelf zegt ze luidop
dat het zo het beste is
maar binnenin
klinkt stil wat
als ik me
vergis


honderdduizend stipjes

honderdduizend stipjes
op een hagelwit papier
vormen samen letters
je leest ze nu en hier

honderdduizend dromen
die ik nog heb met jou
je vraagt hen te vervagen
je veegt ze met je mouw

honderdduizend woorden
wil ik je nog vertellen
maar in de plaats daarvan
blijf ik de stipjes tellen